|
|
|
Op 18 december 2001 heeft
de Leidse gemeenteraad het voorbereidingsbesluit Oostvlietpolder
vastgesteld. Het Comité Vrienden Oostvlietpolder heeft
daarop een bezwaarschrift ingediend (d.d. 23 januari 2002) omdat
zij het (nog steeds) niet eens is met deze gemeentelijke plannen
voor de allerlaatste, ongerepte agrarische polder in Leiden.
Deze plannen doen namelijk absoluut geen recht aan de uitspraak van de Raad
van State (29 augustus
2001) en aan de status van groene Rijksbufferzone die de Oostvlietpolder
geniet.
Bezwaarschrift Comité Vrienden Oostvlietpolder inzake het voorbereidingsbesluit Oosvlietpolder
Geachte Gemeenteraadsleden, geacht College, Het Comité Vrienden Oostvlietpolder wil hierbij haar bezwaarschrift indienen inzake het voorbereidingsbesluit Oostvlietpolder zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2001. Ons belangrijkste bezwaar is, dat uw besluit onrechtmatig is. Uit de jurisprudentie van de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak (AB 1984, 144) blijkt, dat een voorbereidingsbesluit onrechtmatig moet worden geacht, als geoordeeld moet worden, dat het de gemeenteraad reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn, dat de toekomstige ruimtelijke plannen voor het plangebied vanuit planologisch opzicht onaanvaardbaar zijn. In uw motivering van uw besluit noemt u als reden voor het nemen van het voorbereidingsbesluit met een werking van twee jaar voornamelijk de verplaatsing van de volkstuinen voor de uitbreiding van de begraafplaats Rhijnhof. Uit commissie- en gemeenteraadsvergaderingen, uw correspondentie met GS, het Ministerie van VROM en de plattegronden van het verplaatsingsplan volkstuinen blijkt echter duidelijk, dat u de planologische plannen zoals in het door de Raad van State (29 augustus 2001) vernietigde bestemmingsplan Oostvlietpolder van april 1999 toch door wilt laten gaan. Wij zijn dan ook van mening, dat het voorbereidingsbesluit niet alleen voor de in het besluit aangegeven (volkstuin)reden is genomen, maar ook vanwege de gemeentelijke plannen voor het aanleggen van een bedrijventerrein, ecologische zone en een eventuele baggerstortplaats. Waarom zou u anders voor een werkingsduur van twee jaar van het voorbereidingsbesluit gekozen hebben? Uit het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) van 26 april 2001 blijkt duidelijk, dat uw ruimtelijke plannen in strijd zijn met hogere plannen. Gezien dit rapport moeten uw plannen zowel bij een globale beschouwing als in planologisch opzicht als onaanvaardbaar worden geacht. Gelet op de voornoemde uitspraak van de Raad van State van 29 augustus 2001 waarin het door de gemeenteraad in april 1999 vastgestelde bestemmingsplan Oostvlietpolder is vernietigd, het StAB-rapport in deze zaak van 26 april 2001 en de in het voorbereidingsbesluit uiterst vaag omschreven plannen voor een nieuw bestemmingsplan, maakt het Comité verder nog op de onderstaande punten bezwaar tegen het voorbereidingsbesluit Oostvlietpolder:
1. De procedure Op 29 augustus 2001 heeft de Raad van State de bezwaren van dertien appellanten tegen het bestemmingsplan Oostvlietpolder (april 1999) gegrond verklaard. Al tijdens de hoorzitting bij de Raad van State in juni bleek, dat de gemeente Leiden en de provincie Zuid-Holland nogal wat steken hadden laten vallen. De plaats en omvang van het bedrijventerrein, de onvoldoende groene inpassing, het ontbreken van compenserende maatregelen voor het verdwijnen van weidevogelgebied (Rode Lijst soorten), het verzuimen onderzoek te doen naar de aanwezige natuurwaarden; dit waren allemaal punten waarover de leden van de Raad kritische vragen stelden. Maar bovenal oordeelde de Raad het bestemmingsplan Oostvlietpolder strijdig met het Rijks(bufferzone)beleid en doet de uitspraak recht aan de status die de Oostvlietpolder geniet: groene Rijksbufferzone en/of Regionaal Park*. En laten we wel wezen, Leiden heeft niet alleen gebrek aan ruimte om te wonen en te werken. Ook de ruimte om te genieten van een open stuk groene natuur is bijzonder schaars en wordt nog schaarser nu het kabinetsstandpunt luidt om Vliegveld Valkenburg (ook behorende tot de Rijksbufferzone) te bebouwen. Volgens het Comité Vrienden Oostvlietpolder is de uitspraak van de Raad van State over de Rijksbufferzone Oostvlietpolder duidelijk en helder. Alleen..... wij zijn er niet gerust op dat deze uitspraak, welke na vele jaren van besluitvorming en inspraak uiteindelijk op democratische wijze tot stand is gekomen, door iedereen wordt aanvaard. Het is daarom dat het Comité op bestuurders en de politiek een dringend beroep wil doen de uitspraak van de Raad van State te respecteren en op basis van deze gerechtelijke uitspraak een nieuw (groen) bestemmingsplan Oostvlietpolder te ontwikkelen. Immers, het Comité Vrienden Oostvlietpolder en de twaalf andere appellanten hadden een andersluidende uitspraak ook moeten accepteren! Want laten we de RvS-uitspraak nu eens omdraaien: de bezwaren van de appellanten waren ongegrond verklaard en de gemeente Leiden zou in het gelijk gesteld zijn..... Het bestemmingsplan Oostvlietpolder zou dan zijn bekrachtigd en het aanleggen van het bedrijventerrein zou voor alle bezwaarmakers een voldongen feit zijn. Verder beroep voor hen niet mogelijk, opnieuw bezwaar maken onmogelijk. Politiek en bestuurders zouden vervolgens hebben verklaard dat "het spijtig was voor alle bezwaarmakers maar dat het bestemmingsplan volgens de gangbare wettelijke regels en procedures op democratische wijze tot stand was gekomen. Alle bezwaren zijn gewikt en gewogen en er ligt nu voor een ieder een bindende uitspraak van de Raad van State." Voor de gemeente Leiden nu ligt dat anders: Zij kan gewoon opnieuw beginnen en eventueel tot in lengte van jaren doorgaan met het gestelde doel (het bedrijventerrein Oostvlietpolder) te realiseren. Deze werkwijze is voor Leidse burgers niet echt een stimulans om zich bij gemeentelijke zaken betrokken te (blijven) voelen hetgeen nu juist binnen de gemeente en politiek een veel gehoorde wens is. Bovendien, neemt Leiden haar burgers wel serieus? Heeft zo'n (inspraak)procedure en dat bezwaar maken (zelfs tot aan de Raad van State) van burgers dan eigenlijk wel zin? En: is hier in feite geen sprake van een stukje rechtsongelijkheid tussen een gemeente en haar meedenkende, bezwaarmakende burgers? * Een regionaal park is een herkenbare
landschappelijke eenheid van niet-verstedelijkt gebied, aansluitend
op de steden in een stedelijk netwerk. Regionale parken zijn
bedoeld om de mogelijkheden van dagrecreatie voor de bewoners
van stedelijke netwerken te vergroten en te verbeteren. In regionale
parken is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en uitbreiding
van permanente verblijfsrecreatie niet toegestaan.
2. Commentaar op de tekst
van het voorbereidingsbesluit N.a.v. de eerste alinea N.a.v. de tweede alinea N.a.v. de derde alinea De Raad van State heeft het gehele plan, dus ook de volkstuinen (hoe spijtig ook) niet goedgekeurd. Bovendien, de BZH (Baggerdepot Zuid-Holland B.V.), die notabene destijds op verzoek van de gemeente Leiden(!) ook een variant van de baggerstortplaats dwars over de volkstuinen moest ontwikkelen, is in het gelijk gesteld. De BZH zet nog steeds in op deze variant en bestreed/bestrijdt hiermee dus wel degelijk de ontwikkeling van volkstuinen op die locatie! N.a.v. de vierde alinea
3. Natuuronderzoek Oostvlietpolder Het Comité handhaaft haar standpunt dat, indien dit natuuronderzoek niet wordt gehouden, er door de gemeente Leiden in strijd wordt gehandeld (zo niet met de letter, dan zeker met de geest) van de 'natuurbeschermingswet'* en de door Nederland ondertekende 'Conventie van Bern'* (19 september 1979). Bovendien negeert de gemeente in dat geval de uitspraak van de Raad van State. Het Comité vraagt zich af: Berokkent het aanleggen van een bedrijventerrein en een ecologische zone deze beschermde soorten en hun leefgebied geen schade? En vervult een gemeente in deze geen voorbeeldfunctie? * Natuurbeschermingswet * Conventie van Bern
4. Ecologische zone Gelet op het bromfietspad (ter ontsluiting
van het geplande bedrijventerrein per bromfiets) midden door
de ecologische zone; Het blijft voor het Comité op dit moment onduidelijk voor welke specifieke diersoorten de gemeente deze zone wil aanleggen en hoe deze dieren zich dan momenteel verplaatsen van polderpark Cronesteyn richting de Vlietlanden en vice versa. Bovendien zal ons inziens een dergelijk ingerichte ecologische zone als het gaat om de herpetologische soorten niet of slecht functioneren. Ook deskundigen (Drs. F.H.J. Hagedoorn, Universiteit van Amsterdam) betwijfelen of een dergelijke ingerichte 'ecologische zone' waarin voor autoverkeer toegankelijke wegen en bromfietspaden zijn geprojecteerd ooit goed zal functioneren. In dit kader willen wij verwijzen naar zijn bijdrage en opmerkingen bij het verplaatsingsplan volkstuinen; aanleg bromfietspaden. Gelet op de reeds voorkomende natuurwaarden in de Oostvlietpolder dient de ecologische zone geen enkel doel en is alleen bedoeld als 'doekje voor het bloeden' als zogenaamde compensatie voor de voorgenomen aanleg van het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. Het aanleggen van het bedrijventerrein en het verplaatsen van de volkstuinen gaat ten koste van een waardevol weidevogelgebied (Rode Lijst-soorten). De startnotitie 'Baggerstortlocatie Oostvlietpolder uit 1994 stelt hierover: "De Oostvlietpolder heeft een belangrijke broed- en fourageerfunctie voor weidevogels als grutto, tureluur en zomertaling". De door Leiden geplande ecologische zone heeft voor deze weidevogels geen enkele betekenis en is vanuit dit oogpunt dus een volstrekt onjuiste compensatiemaatregel. Een compensatiemaatregel die bovendien in strijd is met het compensatiebeginsel: de waarden van deze 'ecologische zone' zijn namelijk volstrekt niet vergelijkbaar met de waarden die er verloren zullen gaan. Het Comité wil in dit kader ook wijzen op het gestelde in het MER Oostvlietpolder (oktober 1999) dat in verband met de aan te leggen baggerstorplaats werd opgesteld: De Oostvlietpolder valt ook onder het Randstad Groenstructuurbeleid en daarmee onder het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Compensatie is dus aan de orde. Het compensatiebeginsel Het voorkomen van Rode Lijst-soorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt. Ook de Raad van State heeft in haar uitspraak aangegeven dat het niet aannemelijk is geworden dat de zone een belangrijke functie vervult als verbindingszone tussen de recreatiegebieden Vlietlanden en de Polder Cronesteyn, zoals de gemeente Leiden steeds (ten onrechte) heeft beweerd. Bovendien concludeert de Raad van State dat de zone geen functie kan vervullen voor compensatie van het verlies aan weidevogels in het plangebied, omdat deze gelet op de omvang en inrichting ervan slechts geschikt zal zijn voor andere ecologische waarden. Daarnaast is volgens de Raad van State niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de in het plan voorziene ligging van de zone zich verhoudt tot de doelstellingen van het bufferzonebeleid, omdat deze zone tot gevolg heeft dat de agrarische bedrijfsactiviteiten in het gebied moeten worden beëindigd. De zogenaamde ecologische zone maakt het namelijk vrijwel onmogelijk om de agrarische bedrijvigheid in de Oostvlietpolder op een bedrijfseconomisch verantwoorde manier voort te zetten. Kortom, de aanleg van een dergelijke 'ecologische zone' zal de bestaande natuurwaarden, het weidevogelgebied en het agrarische open karakter van de Oostvlietpolder alleen maar schaden. En juist aan deze bestemming en functie wordt bij een Rijksbufferzone en/of Regionaal Park in de Vierde en Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening veel waarde toegekend. Het Comité maakt dan ook bezwaar tegen het aanleggen van de ecologische zone.
5. Verplaatsingsplan volkstuinen Het Comité Vrienden Oostvlietpolder kan echter (voor wat betreft de aanleg van het volkstuinencomplex) met de procedure instemmen want na vele jaren van onzekerheid dient de situatie voor de volkstuinders in de polder zo snel mogelijk duidelijk te worden en kan er er met de wederopbouw van de diverse tuincomplexen een aanvang worden gemaakt. Het Comité is echter wel van mening dat bij de nieuwe plannen c.q. een nieuw bestemmingsplan de uitspraak van de Raad van State dient te worden gerespecteerd. En zoals de inrichtingsplannen voor de volkstuinen nu liggen, is dit niet het geval: Ongeveer 14 tuinen (aan de Vlietweg-kant)
van tuinvereniging Roomburg moeten volgens deze inrichtingsschets
verdwijnen vanwege een ecologische zone. De Raad van State heeft
in haar uitspraak de aanleg van een dergelijke zone echter afgewezen
en stelt: Als er al een ecologische zone aangelegd moet worden, dan is het natuurlijk bijzonder wrang dat daarvoor 14 volkstuinen (waarvan de meeste tuinen momenteel gewoon in gebruik zijn en niet zijn verlaten) op termijn moeten verdwijnen. Door hun gevarieerde aanleg en beplanting zijn volkstuinen in een weidegebied volgens deskundigen (Universiteit van Amsterdam) juist bij uitstek geschikt als rustplaats voor verschillende diersoorten. Daardoor hebben deze volkstuinen minimaal een met de geplande ecologische zone vergelijkbare ecologische waarde. Als er al uit ecologisch oogpunt eventuele bezwaren aan te voeren zouden zijn tegen onderdelen van het gebruik van deze volkstuinen (bijvoorbeeld tegen het eventuele gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen), dan moet het toch eenvoudig zijn dit ongewenste gebruik middels een gebruiksovereenkomst te voorkomen. Kortom, er is momenteel (maar ook in de toekomst)
geen enkele reden en/of zwaarwegend maatschappelijk belang om
deze 14 volkstuinen te verplaatsen en deze tuinders onnodig leed
te berokkenen. Sterker nog: deze volkstuinders hebben een gerechtelijke
uitspraak aan hun kant! Aanleg bromfietspaden Het bromfietspad zoals nu gepland door de volkstuinen was in het door de Raad van State vernietigde bestemmingsplan van april 1999 oorspronkelijk bedoeld om, via de nieuwe brug over het Vlietkanaal, het bedrijventerrein (met zo'n 4000 arbeidsplaatsen) te ontsluiten. Daarmee veronderstelt de gemeente dat meeste (brom)fietsende werknemers de route vanuit Leiden Zuid-West en de nieuwe brug zullen gebruiken. Niets is minder waar: In werkelijkheid zullen de meeste (brom)fietsende werknemers van het verkeersknooppunt Lammenschansweg - Europaweg (Trekvlietbrug) afkomstig zijn om zo via het bromfietspad door de ecologische zone en de volkstuinen op het bedrijventerrein te belanden. Zo dwars door de ecologische zone en volkstuincomplexen heen lopend fietspad betekent een ingrijpende verstoring zeker (maar zeker niet alleen) nu hier inderdaad gemotoriseerd verkeer wordt toegestaan zoals wethouder Pechtold (milieu) tijdens de gemeenteraadsvergadering van 18 december 2001 heeft bevestigd. De door de gemeente Leiden nu ineens veronderstelde recreatieve functie van het bromfietspad door de volkstuincomplexen is onzin omdat het, via de volkstuinen en het toekomstige industrieterrein, loopt naar de Hofvlietweg bij de A4 (toch niet écht een recreatief punt). Een functie als recreatieve fietsroute naar de Grote polder aan de overzijde van de Rijksweg A4 ligt evenmin voor de hand. Er ligt al een fietspad aan de zuidzijde langs de Oostvlietpolder van de Vlietweg naar de fietstunnel onder de Rijksweg A4, parallel aan het geplande fietspad en aan de noordzijde van de Oostvlietpolder loopt een fietsroute naar de Grote Polder via de Vrouwenweg. De Oostvlietpolder heeft ons inziens (naast haar agrarische en natuurlijke functie) twee verschillende recreatieve functies: Enerzijds is het een gebied waar volkstuinders in alle rust van hun hobby en tuin kunnen genieten en anderzijds is het een gebied waar fietsers en wandelaars kunnen genieten van het uitzicht over de laatste open groene agrarische polder in Leiden.Vanaf de geplande bromfietspaden heeft de gebruiker echter geen uitzicht op de polder. Door het aanleggen van de bromfietspaden wordt geen recht gedaan aan beide recreatieve functies van de Oostvlietpolder. Bovendien zijn de bestaande volkstuincomplexen zeer kindvriendelijk door het ontbreken van doorgaand (bromfiets-)verkeer over deze complexen. Een doorgaande fietsroute betekent ongetwijfeld een inbreuk op de verkeersveiligheid en daarmee ook op de kindvriendelijkheid van deze complexen. Daarnaast zullen de volkstuinders van deze extra ontsluitingsweg alleen maar hinder ondervinden in de vorm van geluidshinder, drukte en met name in de wintermaanden moet worden gevreesd voor een toename van het aantal inbraken c.q. vernielingen. Het bromfietspad is ons inziens vanuit de volkstuinders bezien bovendien in strijd met het compensatiebeginsel zoals ook omschreven bij de ecologische zone onder punt 4: Uitgangspunt is dat in beginsel geen netto verlies aan recreatiewaarden mag plaatsvinden. Voorts heeft het bromfietspad ook voor de weidevogels (Rode Lijst) en herpetologische soorten (zowel in de polder bij de volkstuinen als bij de geplande ecologische zone) een fatale extra (rust)verstoring als nadelig gevolg. Drs. F.H.J. Hagedoorn van de Universiteit van Amsterdam (afd. herpetologie) liet ons hierover het volgende weten: "De plannen ogen op het eerste gezicht
interessant, maar lijken bij nader inzien toch niet gerelateerd
aan de bestaande situatie aldaar. Het is weer het bekende gapende
gat tussen tekentafel en natuurlijke realiteit. Volkstuinen vormen
an sich een ecologische zone. Amfibieën overwinteren o.a.
in/onder opstallen en tuinmateriaal. De verscheidenheid aan voedsel
garandeert de opgroei van juvenielen. Dit geldt voor de Gewone
pad, Bruine kikker en Kleine watersalamander. De monocultuur
van de weilanden zijn voor hen alleen belangrijk in verband met
de aldaar aanwezige voortplantingswatertjes. De dekking tegen
predatoren is hier ook gering. Omdat zoals gezegd de volkstuinen op zich
al een ecologische zone vormen zou het voor de hand liggen de
tuinen te handhaven. Dan hoef je dus geen water naar de zee te
dragen. Een fietspad dwars door de volkstuinen lijkt me, mede gelet op de rust en privacy van de tuinders, ook geen goede zaak voor de daar voorkomende amfibieën. Alleen al tijdens de paddentrek (twee tot vier nachten per jaar) liggen de Vlietweg, de fietspaden van polderpark Cronesteyn en de Vlietlanden vol met platgereden padden. Een fietspad dwars door de volkstuincomplexen is voor deze dieren nog gevaarlijker als men bedenkt dat daar door deze dieren de rest van het jaar volop gefourageerd wordt. Een openbaar, doorgaand fietspad dat het hele jaar open is, door zo'n kwetsbaar refugé zal een ware slachting opleveren van deze beschermde dieren. Voorts het fietspad door de ecologische zone: de autoluwe Vlietweg is wat mij betreft al een aantrekkelijke fietsroute. Een tweede is mijns inziens overbodig". Mede gelet op dit deskundigenbericht maakt het Comité Vrienden Oostvlietpolder ernstig bezwaar tegen voornoemde plannen en verzoekt de gemeente met klem af te zien van de aanleg van de extra bromfietspaden in de Oostvlietpolder en de bestaande, prima functionerende en door vele recreanten gewaardeerde Vlietweg als doorgaande, recreatieve route te handhaven. Broedseizoen weidevogels In de milieueffectrapportage (MER, oktober 1999) opgesteld ten behoeve van een baggerstortplaats in de Oostvlietpolder wordt (terecht) als één van de zogenaamde 'verzachtende' maatregelen voorgesteld om de aanleg van deze stortlocatie buiten het broedseizoen van de weidevogels te plannen. Het Comité verzoekt de gemeente Leiden bij alle werkzaamheden in de Oostvlietpolder diezelfde zorgvuldigheid als omschreven in het MER in acht te nemen en geen werkzaamheden uit te voeren gedurende het broedseizoen van de beschermde weidevogels. |
Volgende pagina |
|