|
|
|
Zetfouten op deze pagina voorbehouden.
200000246/1 (bestemmingsplan Oostvlietpolder)
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. W.H.L. van der Post, wonend te Leiden, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.
1. Procesverloop Bij besluit van 27 april 1999 heeft de gemeenteraad van Leiden het bestemmingsplan "Oostvlietpolder" vastgesteld. Het besluit van de gemeenteraad is aan deze uitspraak gehecht. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij hun besluit van 30 november 1999, kenmerk RGG/ARB/167981A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van gedeputeerde staten is aangehecht. Bij besluit van 21 maart 2000, kenmerk M1 24, heeft verweerder het besluit van gedeputeerde staten vervangen wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. Appellant sub 1 heeft bij brief van 14 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2000, appellant sub 2 bij brief gedateerd maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2000, appellant sub 3 bij brief van 14 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2000, appellanten sub 4 bij brief van 3 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2000, appellanten sub 5 bij brief van 4 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2000, appellanten sub 6 bij brief van 1 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2000, appellant sub 7 bij brief van 5 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2000, appellant sub 8 bij brief van 11 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2000, appellante sub 9 bij brief van 11 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2000, appellant sub 10 bij brief van 10 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2000, appellante sub 11 bij brief van 11 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2000, appellante sub 12 bij brief van 12 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van dezelfde datum, appellant sub 13 bij brief van 12 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2000, appellant sub 14 bij brief van 12 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2000, en appellant sub 15 bij brief van 17 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2000, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 juli 2000. Appellant sub 8 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 juni 2000. Appellante sub 12 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 december 2000. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 11 mei 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 april 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2001, waar appellanten sub 1 en 7 in persoon, appellant sub 2, vertegenwoordigd door J.M.M. Pieters, appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. W.J. Haeser, advocaat te Den Haag, appellanten sub 5 en 10, vertegenwoordigd door mr. R.M. de Man, appellanten sub 6, vertegenwoordigd door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, drs. Schultz van Haegen en A.V. de Kok, appellanten sub 8 en 9, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, appellante sub 11, vertegenwoordigd door A.S. Carpentier Alting, appellante sub 12, vertegenwoordigd door mr. R.R. Crince Le Roy, advocaat te Rotterdam, en ir. A.R. Bresters, appellanten sub 13 en 14, in persoon en bijgestaan door M. de Koe, appellant sub 15, vertegenwoordigd door J.P.C. van Mameren en P. de Booy, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M. Felkers, drs. D.M. Hummelen en drs. H.J. de Laar, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen. Voorts zijn mr. J.M. van Gastel-Goudswaard, M.A.A. Paalman en J.l. Roest, ambtenaren van de provincie, namens gedeputeerde staten van Zuid-Holland, daar gehoord. Appellanten sub 4 zijn niet verschenen. Ter zitting hebben burgemeester en wethouders het beroep voorzover dit was gericht tegen het onthouden van goedkeuring aan een deel van de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein (B)" ingetrokken.
2. Overwegingen 2.1. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Vliet, de Vrouwenvaart, de A4 en het recreatiegebied Vlietland. Met het plan wordt onder meer beoogd een bedrijventerrein mogelijk te maken. Gedeputeerde staten hebben bij hun besluit het bestemmingsplan gedeeltelijk goedgekeurd. Het vervangingsbesluit van verweerder ziet op de kennelijke strijd van het besluit van gedeputeerde staten met het nationaal ruimtelijk beleid voor het onderdeel waarbij bedrijven worden toegelaten op de tot "Natuurgebied Landgoederenzone (Nl)" bestemde gronden. In verband hiermee is goedkeuring onthouden aan artikel 5, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. Verweerder heeft het besluit voor het overige in stand gelaten . 2.2. Omtrent de ontvankelijkheid van appellant sub 15 overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 29, negende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vangt de beroepstermijn aan bij de terinzagelegging van het besluit omtrent vervanging van het besluit van gedeputeerde staten overeenkomstig het zesde lid van dat artikel. Blijkens de stukken is het besluit terinzage gelegd op 3 april 2000. Gelet daarop is de beroepstermijn aangevangen op 3 april 2000 en geëindigd op 15 mei 2000. Ingevolge artikel 6:9 is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen dan wel, bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift van appellant is gedateerd op 17 mei 2000 en ontvangen op 18 mei 2000. Appellant heeft derhalve niet tijdig zijn beroepschrift ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hiervan is echter niet gebleken. Appellant sub 15 kan daarom niet in zijn beroep worden ontvangen. 2.3. Voorzover appellante sub 12 heeft aangevoerd dat in de bekendmaking van het vervangingsbesluit van verweerder ten onrechte niet is aangegeven dat, voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, op grond van artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, beroep kan worden ingesteld door een ieder, overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken luidt de tekst van de publikatie: "Voor zover het besluit van de Minister strekt tot onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan kan door een ieder beroep worden ingesteld. Voor zover het besluit van de Minister strekt tot goedkeuring kan beroep worden ingesteld door degene die tijdig bij GS bedenkingen tegen het bestemmingsplan heeft ingediend, alsmede door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zich overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, tot GS te wenden." Uit de tekst van artikel 29 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat luidde tot 3 april 2000, volgt dat een op grond van dit artikel genomen vervangingsbesluit het besluit van gedeputeerde staten integraal vervangt. Hieruit volgt dat, nu verweerder de onthouding van goedkeuring van gedeputeerde staten in stand heeft gelaten, deze onthouding van goedkeuring aangemerkt dient te worden als een onthouding van goedkeuring door verweerder, waartegen door een ieder beroep ingesteld kan worden. De publikatie vermeldt dat het besluit van de minister het besluit van gedeputeerde staten vervangt en dat de minister, afgezien van de onthouding van goedkeuring aan artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de planvoorschriften, het besluit van gedeputeerde staten in stand laat. Vervolgens wordt in de publikatie opgesomd aan welke planonderdelen gedeputeerde staten goedkeuring hebben onthouden en wordt vermeld dat voorzover het besluit van de minister strekt tot onthouding van goedkeuring door een ieder beroep kan worden ingesteld. Deze mededeling impliceert derhalve dat ook tegen de onthouding van goedkeuring door gedeputeerde staten door een ieder beroep kan worden ingesteld. Bezien in het licht van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat deze rechtsmiddelenvoorlichting als voldoende kan worden aangemerkt. 2.4. Burgemeester en wethouders van Leiden hebben bezwaar tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 5, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. Zij zijn van mening dat dit planonderdeel niet kennelijk in strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid. 2.4.1. In het plangebied is een plandeel van ongeveer 60 hectare groot bestemd voor "Bedrijventerrein (B)". Op dit plandeel wordt blijkens artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften gestreefd naar de ontwikkeling van een netto uitgeefbaar bedrijventerrein van 40 hectare. Daarnaast is een plandeel van ongeveer 9,2 hectare groot bestemd voor "Natuurgebied Landgoederenzone (Nl)". Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn de voor "Natuurgebied Landgoederenzone (Nl)" aangewezen gronden bestemd voor verweving van natuur en bedrijfsbebouwing ten behoeve van een natuurlijke overgang tussen het bedrijfsterrein en het natuurgebied. Ingevolge het tweede lid van dit artikel (Beschrijving in hoofdlijnen), voorzover van belang, is het beleid binnen deze gronden gericht op de ontwikkeling van een bedrijvenpark in landgoederenstijl. Ingevolge het derde lid, onder b, van dit artikel (Bebouwingsvoorschriften), voorzover van belang, mogen binnen deze gronden bedrijfsgebouwen worden opgericht, als bedoeld in lid 1. Daarnaast bevat dit artikelonderdeel onder meer voorschriften inzake de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. 2.4.2. Blijkens het besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 5, derde lid, onder b, wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid inzake bufferzones, zoals neergelegd in de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (PKB NRB) neergelegd in de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra (Vinex), de herziening van de PKB NRB behorend bij de Actualisering van de Vinex (Vinac), alsmede wegens strijd met de voorwaarden die in het bestuurlijk overleg, neergelegd in deel 3 van de PKB NRB behorende bij de Vinac, zijn totstandgekomen. Verweerder heeft daartoe het standpunt ingenomen dat met het toelaten van bedrijven op het plandeel met de bestemming "Natuurgebied Landgoederenzone (Nl)" ten onrechte wordt gebouwd in een deel van de polder waarvoor het bufferzonebeleid geldt en geen gevolg wordt gegeven aan de voorwaarde dat de bufferzonegrens om het bedrijfsterrein wordt getrokken. Daarnaast kan de toegestane bebouwing volgens verweerder leiden tot een overschrijding van het maximum van 40 ha netto bedrijfsterrein en leidt de vorm waarin de bedrijven verspreid kunnen worden toegelaten ertoe dat een grotere oppervlakte gebied niet meer in aanmerking komt om als bufferzone te worden gehandhaafd. 2.4.3. In zowel de PKB NRB behorende bij de
Vinex als de PKB NRB behorende bij de Vinac is Den Haag-Leiden-Zoetermeer
aangewezen als bufferzone. Niet in geschil is dat het plangebied
deel uitmaakt van deze bufferzone. 2.4.4. In deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder, waarbij onder meer als voorwaarde is opgenomen dat de rest van de Oostvlietpolder binnen de bufferzone blijft en een groene inpassing krijgt. Niet in geschil is dat bedrijfsbebouwing een stedelijke functie betreft die in strijd komt met de doelstellingen van het in genoemde PKB's neergelegde rijksbufferzonebeleid . Blijkens de plantoelichting is bij de vaststelling van het plan beoogd te voldoen aan de doelstellingen van het bufferzonebeleid en de in het meergenoemd bestuurlijk overleg gemaakte afspraken inzake de ontwikkeling van een bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat, daargelaten welke betekenis moet worden toegekend aan hetgeen is vermeld in het in deel 3 vermelde bestuurlijk overleg inzake de ontwikkeling van 40 ha bedrijventerrein in de Oostvlietpolder, verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat met de ontwikkeling van een bedrijventerrein op het plandeel met de bestemming "Natuurgebied Landgoederenzone (Nl)" een grotere inbreuk op het bufferzonebeleid wordt gemaakt dan door het in het overleg toegezegde zou worden gerechtvaardigd. Voorzover is aangevoerd dat de onthouding van goedkeuring van gedeputeerde staten aan 1 hectare van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (B)" tot gevolg heeft dat op dat plandeel minder dan de 40 hectare netto te ontwikkelen bedrijventerrein overblijft, overweegt de Afdeling dat dit niet volgt uit de bepalingen van het bestemmingsplan. Nu het plandeel na de onthouding van goedkeuring 59 hectare groot is en in artikel 3 van de planvoorschriften geen totale omvang van het netto uitgeefbaar bedrijventerrein is voorgeschreven, anders dan dat in het tweede lid van dat artikel is bepaald dat wordt gestreefd naar een netto uitgeefbaar terrein van 40 hectare, staat de verkleining van het plandeel immers niet in de weg aan het realiseren van een bedrijventerrein van 40 hectare netto. Voorzover daarnaast een beroep is gedaan op de in het bufferzonebeleid neergelegd in de PKB NRB behorend bij de Vinac genoemde mogelijkheid om nieuwe landgoederen te ontwikkelen in bufferzones overweegt de Afdeling dat verweerder terecht heeft gesteld dat een bedrijventerrein in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als de in de PKB bedoelde landgoederen. Verweerder heeft derhalve gelet op het voorgaande terecht goedkeuring onthouden aan dit planonderdeel wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijke beleid. Gelet hierop is het beroep van burgemeester en wethouders van Leiden ongegrond . 2.5. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten voor het overige in stand gelaten en heeft derhalve, nu hij gelet op het bepaalde in artikel 29 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geacht wordt het besluit integraal te vervangen, het goedkeuringsbesluit voor het overige overgenomen. 2.6. D.W. van der Hoek heeft bezwaar tegen de situering van de fietsbrug over de Vliet. 2.6.1 . Op de plankaart is de plaats waar blijkens de stukken een fietsbrug is voorzien aangegeven met de aanduiding "te maken brug". Deze aanduiding is in de planvoorschriften niet gerelateerd aan enige bestemming. In artikel 19, eerste lid van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor watergangen en waterpartijen ten dienste van de waterhuishouding, de recreatie- en beroepsvaart en het recreëren, met de daarbijbehorende voorzieningen zoals oeverbeschoeiingen, ondergrondse leidingen, en binnen de bestemming passende bouwwerken, zoals bruggen. Uit deze planvoorschriften volgt niet dat de brug dient te worden aangelegd conform de op de plankaart aangegeven aanduiding. Gelet hierop kunnen in het gehele gebied met de bestemming "Water" bruggen worden aangelegd. Daarnaast is, hoewel blijkens de stukken wordt beoogd een fietsbrug aan te leggen, in de planvoorschriften geen omschrijving gegeven van de aan te leggen brug, waaruit voorwaarden voortvloeien omtrent de uitvoering van de brug, zoals met betrekking tot de afmetingen daarvan. De Afdeling acht het plan op dit punt in strijd met de rechtszekerheid. 2.7. H. van Diest en J.A. van Velzen en T.L. van Niekerk hebben bezwaar tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 22, derde lid, van de planvoorschriften. Zij zijn van mening dat kon worden volstaan met het onthouden van goedkeuring aan de zinsnede "dan wel de verleende hogere grenswaarden met niet meer dan 1,5 dB(A) wordt overschreden." 2.7.1. Ingevolge artikel 22, derde lid, van
de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd
de bestemming binnen het op de kaart als wijzigingsgebied III
aangegeven gebied te wijzigen in de bestemming woondoeleinden
als bedoeld in artikel 7 met inachtname van de onderstaande voorschriften. 2.8. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Baggerdepot Zuid-Holland B.V." heeft aangevoerd dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen mogelijkheid is opgenomen voor de ontwikkeling van een baggerspeciedepot. Zij is van mening dat, voorzover hiervoor in het plan al gronden zijn gereserveerd, de inrichting van het plangebied onmogelijk maakt dat een van de varianten betrokken in de milieu-effectrapportage wordt uitgevoerd. Het Comité Vrienden Oostvlietpolder heeft bezwaar tegen de ontwikkelingen in de Oostvlietpolder voorzover hierdoor het agrarische en open karakter van het gebied wordt aangetast. Volgens appellant had een onderzoek naar de natuurwaarden moeten plaatsvinden en dient het verlies van natuurwaarden te worden gecompenseerd. N.J. van Schie, C.P. Lagerberg en P.J.M. van Haastert hebben onder meer bezwaar ertegen dat zij hun agrarische bedrijfsvoering dienen te beëindigen als gevolg van de inrichting van het plangebied in verband met de herbestemming van de door hen gebruikte gronden. W.H.L. van der Post heeft aangevoerd dat een rendabele exploitatie van zijn agrarische bedrijf vanwege het verlies aan gronden niet meer mogelijk is. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Niersman Beheer B.V.N heeft bezwaar tegen de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd (AO)" op het plandeel tussen de Europaweg en de Vrouwenweg voorzover daarmee de in het vorige plan opgenomen mogelijkheid voor woningbouw is wegbestemd. G.J. Nieboer en M. Wegman hebben bezwaar tegen de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing op hun perceel. A. Loncq de Jong heeft aangevoerd dat in het plan ten onrechte geen mogelijkheid is opgenomen voor de verwezenlijking van een woning met artsenpraktijk op zijn perceel. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Recreatiecentrum Vlietland B.V." heeft bezwaar tegen de ligging van het bedrijventerrein en de bouwhoogten daarvan ten opzichte van het recreatiegebied Vlietlanden, alsmede tegen de soort bedrijven die op het terrein kunnen worden gevestigd. Bovendien is volgens haar niet voorzien in een ontsluiting van het bedrijventerrein. Daarnaast heeft zij bezwaar tegen de situering van de ecologische verbindingszone. 2.8.1. Omtrent mogelijke ontwikkelingen in het plangebied wordt in paragraaf 1.6. van het streekplan Zuid-Holland-West (hierna: het streekplan) het volgende als concrete beleidsbeslissing aangemerkt: "Het in de Oostvlietpolder tot ontwikkeling brengen van een bedrijfsterrein van tenminste 40 ha netto, in samenhang met de reservering voor een stortlocatie voor baggerslib en het totstandbrengen van een groene verbinding tussen Vlietlanden en de Polder Cronesteyn." Blijkens paragraaf 2.5. van het streekplan wordt in de Oostvlietpolder ruimte geboden aan een stortlocatie met groene eindbestemming en een bedrijventerrein. Omdat het verstedelijking betreft in een bufferzone zullen nadere voorwaarden omtrent aard, omvang en situering worden gesteld. Blijkens paragraaf 3.2. wordt uitgegaan van de snelle ontwikkeling van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder. Nadere studie moet duidelijkheid verschaffen over de omvang en het karakter van het bedrijfsterrein. Randvoorwaarden zijn het totstandbrengen van een groene verbinding van voldoende breedte alsmede een in de polder geprojecteerde stortlocatie voor baggerspecie. Aandacht zal moeten worden besteed aan de in het gebied liggende volkstuincomplexen. In de toelichting van het streekplan is vermeld dat de omvang en situering van de te realiseren functies in de Oostvlietpolder in een inrichtingsstudie nader zullen worden bepaald, waarbij rekening zal worden gehouden met de aanwezige functies en belangen waaronder de volkstuincomplexen. 2.8.2. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van het ontwikkelen van een baggerspeciedepot in het plangebied. Blijkens de plantoelichting is deze mogelijkheid niet in het plan opgenomen omdat de hiervoor uit te voeren milieu-effectrapportage ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was afgerond. Hierdoor kon nog niet worden beoordeeld of de functie baggerstort op milieuhygiënisch verantwoorde wijze kan worden ingepast in de Oostvlietpolder. In verband met de vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht op percelen in het plangebied is met de vaststelling van het plan niet langer gewacht. Van de zijde van gedeputeerde staten is aangevoerd dat het niet opnemen van de mogelijkheid voor baggerstort in het bestemmingsplan niet in strijd behoeft te worden geacht met het bepaalde in het streekplan nu de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd (Ao)" gelet op de planvoorschriften behorende bij deze bestemming onbebouwd dienen te blijven. Een gedeelte van deze gronden kan volgens hen dienen als reservering voor een baggerstortlocatie nu door het onbebouwd blijven hiervan de aanleg van een baggerdepot in de toekomst niet onmogelijk wordt gemaakt. De onthouding van goedkeuring van gedeputeerde staten aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (B)" is bedoeld ten behoeve van deze reservering, nu het daarvoor in ogenschouw genomen plandeel volgens hen onvoldoende groot is. 2.8.3. De Afdeling is van oordeel dat uit de tekst van het streekplan blijkt dat wordt uitgegaan van een gecoördineerde inrichting van de Oostvlietpolder in verband met de inpassing daarin van de in het streekplan genoemde functies. Niet gebleken is dat van de ontwikkeling van een baggerdepot in de Oostvlietpolder is afgezien. Derhalve dient volgens het in het streekplan neergelegde provinciale beleid met de mogelijke ontwikkeling hiervan rekening te worden gehouden bij de inrichting van de polder. De gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd (Ao)" kunnen in dit verband naar het oordeel van de Afdeling niet als reservering voor een baggerdepot worden beschouwd, nu het bestemmingsplan daarvoor geen grondslag biedt. Daarnaast is aannemelijk geworden dat de inrichting van het plangebied zoals in het plan is neergelegd de nadere besluitvorming over de ontwikkeling van een baggerdepot ter plaatse kan belemmeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de stukken blijkt dat omtrent de omvang en ligging van een mogelijk baggerdepot ten tijde van de vaststelling van het plan nog nadere besluitvorming moest plaatsvinden, mede rekening houdend met de resultaten van de milieu-effectrapportage. Ter zitting is voorts gebleken dat geen enkele variant zoals deze is uitgewerkt in de milieu-effectrapportage kan worden ingepast in het plangebied, zelfs indien hierbij wordt betrokken het plandeel waaraan ten behoeve hiervan goedkeuring is onthouden, omdat hiervoor gebieden nodig kunnen zijn die in het plan de bestemming "Bedrijventerrein (B)n, "Ecologische groenzone (Ec)" of "Volkstuinen (Rv)" hebben. Terzijde merkt de Afdeling op dat, nu het plan niet voorziet in (een reservering voor) een baggerstortlocatie, de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling hiervan ter plaatse en de verenigbaarheid hiervan met het rijksbufferzonebeleid thans niet aan de orde is. 2.8.4. Parallel aan de strook bedrijfs- en woonbebouwing in het noordwestelijke gedeelte van het plangebied is voorzien in een strook grond met de bestemming "Ecologische groenzone (Ec)n. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn gronden met deze bestemming bestemd voor de aanleg, ontwikkeling en onderhoud van een doorlopende groenzone met een ecologisch karakter en extensieve openluchtrecreatie, met daarbij behorende voorzieningen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel (Beschrijving in hoofdlijnen), voorzover van belang, wordt gestreefd naar de aanleg van een ononderbroken groenzone met een ecologische inrichting. De inrichting ziet op een overwegend natte ecologische verbindingszone. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze zone bedoeld is voor de in het streekplan genoemde verbinding tussen de Vlietlanden en de Polder Cronesteyn. Daarnaast dient deze verbinding voor het bieden van compensatie voor verlies aan natuurwaarden elders in het plangebied . Ter zitting is gebleken dat N.J. van Schie, C.P. Lagerberg en P.J.M. van Haastert, die allen een agrarisch bedrijf exploiteren in het noordwestelijke deel van het plangebied, hun bedrijfsvoering dienen te beëindigen onder meer ten gevolg van de aanleg van deze zone. Voorts blijkt ten aanzien van het agrarische bedrijf van W.H.L. van der Post uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak dat rendabele exploitatie van het bedrijf, onder meer ten gevolg van de ecologische zone, niet waarschijnlijk is. Dit enerzijds omdat ten behoeve van de zone grond dient te worden afgestaan en anderzijds omdat de zone tussen de agrarische bedrijfsbebouwing en het grondgebied met de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd (Ao)" komt te liggen, zodat dit hiervan wordt afgescheiden. Niet aannemelijk is geworden dat de zone een belangrijke functie vervult als verbindingszone tussen de recreatiegebieden Vlietlanden en de Polder Cronensteyn. Voorts is, mede gelet op het deskundigenbericht, gebleken dat de zone geen functie kan vervullen voor compensatie van het verlies aan weidevogels in het plangebied, omdat deze gelet op de omvang en inrichting ervan slechts geschikt zal zijn voor andere ecologische waarden. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de in het plan voorziene ligging van de zone zich verhoudt tot de blijkens de stukken nagestreefde doelstellingen van het bufferzonebeleid, nu deze zone tot gevolg heeft dat de agrarische bedrijfsactiviteiten van appellanten in het gebied dienen te worden beëindigd. De beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van de agrarische bedrijven in het gebied heeft voorts tot gevolg dat niet aannemelijk is dat de bestemming van het gebied aangeduid als "Agrarisch gebied onbebouwd Ao)", dat een groot deel van het plangebied beslaat, gerealiseerd zal worden. 2.8.5. Het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (B)" beslaat na de onthouding van goedkeuring ongeveer 59 hectare. Dit plandeel ligt blijkens de plankaart in het oostelijke deel van het plangebied in de hoek A4/Europaweg. Blijkens de stukken is dit bedrijfsterrein in het plangebied opgenomen onder verwijzing naar de goedkeuring die in deel 3 van de PKB behorende bij de Vinac is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder. Omtrent de afspraken die in dit bestuurlijk overleg hieromtrent zijn gemaakt is in dit deel 3 het volgende vermeld. "De goedkeuring is gegeven voor uitsluitend 40 hectare bedrijfsterrein met als voorwaarden dat het terrein een groene inpassing krijgt en geen snelweglocatie wordt. De rest van de Oostvlietpolder blijft binnen de bufferzone en dient een groene inrichting te krijgen. Een op te stellen inrichtingsschets zal gericht zijn op de inpassing van het bedrijfsterrein, het trekken van de maximale bebouwingscontour (c.q. bufferzonegrens) en voor het overige deel van de polder een inrichting conform de bufferzonedoelstellingen." "Voor de Leidse regio betekent dit instemming van rijkszijde met een bedrijfsterrein van 40 ha in de Oostvlietpolder, met een beperkte daarop gerichte aanpassing van de grens van de bufferzone tussen Leiden en Den Haag." |
Volgende pagina |
|