Uit het Leidsch Dagblad van 18 februari 2000:

Schrappen baggerstortplaats Oostvlietpolder was
verre van onrechtmatig

"Rijnland dreigt met schadeclaim", zo luidde de kop in het Leidsch Dagblad van 10 februari. "Het Hoogheemraadschap denkt dat het besluit om het baggerdepot uit het bestemmingsplan Oostvlietpolder te houden, onrechtmatig is genomen. Juristen bij wie Rijnland en Baggerstort Zuid-Holland (BZH) advies hebben ingewonnen, zeggen dat zij dat kunnen aantonen. Als waterbeheerder hebben we een depot nodig. We moeten onze taak goed kunnen uitvoeren", zo stond er te lezen

Natuurlijk moet de taak van de waterbeheerder goed kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook de reden waarom de provincie Zuid-Holland onderhandelingen voert met de beheerders van het depot De Slufter (Maasvlakte). Dit depot heeft namelijk nog een (rest)capaciteit van 70 miljoen m3; een veelvoud van wat ooit de capaciteit van de stortplaats in de Oostvlietpolder zal opleveren, namelijk maar 4,8 miljoen m3. In procenten uitgedrukt lever een stortplaats in de Oostvlietpolder slechts een extra capaciteit van zo'n vier procent op!

Deze geringe uitbreiding van capaciteit afgewogen tegen de alsmaar schaarser wordende groene ruimten in deze regio, de teruglopende weidevogelstand en het steeds meer beschikbaar komen van alternatieve baggerverwerkingsmethoden, maken het schrappen van de baggerstortplaats verre van 'onrechtmatig'.

'Onrechtmatig' zou het zijn als de politiek en bestuurders de vele ingediende bezwaren van burgers en organisaties (maar ook de inspraakreacties van het BZH) in de wettelijk vereiste procedures niet hadden behandeld en zorgvuldig hadden afgewogen.
'Onrechtmatig' is het dat de BZH en Rijnland al bijvoorbaat van bestuurders een goedkeuring voor een dergelijke stortplaats verlangen terwijl er op dat moment geen Milieu Effect Rapport (MER) Oostvlietpolder voorhanden was en de inspraak hierop tot op heden nog steeds niet heeft plaatsgevonden.
'Onrechtmatig' is het toch een baggerstortplaats Oostvlietpolder te willen realiseren terwijl het (ook voor de initiatiefnemers) nu al vaststaat dat deze stortplaats niet zal voldoen aan de Europese Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen.

"De Oostvlietpolder is in 1992 aangewezen als de beste plaats voor een baggerstort. Rijnland heeft grond gekocht en een baggerplan opgesteld", stelt een woordvoerder van Rijnland verder.
Het MER (oktober 1999) van de BZH stelt echter: "De eerste voorkeurslocatie is de locatie Oostvlietpolder te Leiden. Mocht uit het inrichtingsMER blijken dat de locatie niet geschikt is, dan kan worden uitgeweken naar een andere locatie".
Met andere woorden; ook volgens het (eigen) MER stond de locatie nog niet definitief vast en is het Hoogheemraadschap Rijnland misschien iets te voorbarig geweest met grondaankopen in de Oostvlietpolder. De in het artikel overig genoemde kosten zijn nu eenmaal noodzakelijk indien men een dergelijke stortplaats wenst te realiseren.

Met de vraag van de woordvoerder van Rijnland of we "dat de burger moeten laten betalen, of een ander?" speelt Rijnland wel heel erg 'mooi weer'.
Of nu Leiden, de provincie Zuid-Holland of Rijnland deze kosten betaalt; uiteindelijk betaalt toch de burger (ook) deze rekening. En wie draait straks op voor de kosten van het juridische getouwtrek?

Over de portemonnee van de burgers maakte Rijnland zich overigens in het verleden beduidend minder zorgen. Of is Rijnland de geldverslindende, verre van vlekkeloos verlopen verkiezingscampagne uit 1999 al weer vergeten? "Moeten we dit de burger laten betalen, of een ander?"

 

namens het comité Vrienden Oostvlietpolder,
Hans Pieters.