SAMENVATTING van de bezwaren en reacties

op het
MILIEU-EFFECT-RAPPORT (MER)

BAGGERSTORTPLAATS OOSTVLIETPOLDER

Ondanks het feit dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben ingestemd met het bestemmingplan Oostvlietpolder waarin het aanleggen van een baggerstortplaats niet is opgenomen, blijven de hoogheemraadschappen en Baggerdepot Zuid-Holland b.v. (BZH) een dergelijke stortplaats in de Oostvlietpolder nastreven. Deze stortplaats zou aan de gestelde richtlijnen voldoen en op een veilige en verantwoorde wijze realiseerbaar zijn. Bovendien, een beslist noodzakelijke stortplaats omdat alternatieven zouden ontbreken, hetgeen onjuist is.

Het Comité Vrienden Oostvlietpolder na bestudering van het Milieu-effectrapport baggerspeciedepot Oostvlietpolder (MER, oktober 1999) haar bevindingen en reactie(s) vastgelegd in een 23 pagina's tellend rapport.

De belangrijkste conclusies na bestudering van het MER:

1. Het bergen van BAGA-specie is in de Oostvlietpolder niet uitgesloten (Besluit Aanwijzing Gevaarlijk Afval). Gemiddeld wordt 1 à 2% BAGA-specie verwacht. Hieruit concluderen wij dat de baggerstortplaats Oostvlietpolder zal gaan vallen in de categorie van stortplaatsen bevattende gevaarlijk afval. Deze stortplaats zal ons inziens dan ook moeten voldoen aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie betreffende het storten van afvalstoffen van 26 april 1999; Publicatieblad nr. L 182 van 16/07/1999, blz. 0001 - 0019.
Hoe is een baggerstortplaats met daarin zelfs een percentage BAGA-specie inpasbaar te noemen in een groene bufferzone? In de startnotitie "Baggerstort Oostvlietpolder" uit 1994 staat: "De aanleg van het baggerspeciedepot heeft ingrijpende gevolgen voor het natuurlijk milieu ter plaatse en zal leiden tot verstoring en aantasting van vegetatie, flora en fauna." En: "Als gevolg van het aanleggen van persleidingen en ontsluitingswegen zullen o.a. effecten optreden op het landschap, de aanwezige natuurwaarden en bodem en grondwater." Wordt dit verstaan onder een 'goede groene inpassing'?

2. De initiatiefnemers van het baggerspeciedepot Oostvlietpolder hebben herhaaldelijk in diverse publicaties en hoorzittingen bepleit dat "de bagger de waterschappen tot aan de lippen staat" (nieuwsbrief 2 van de gemeente Leiden). Nu blijkt plotseling dat het baggerprobleem zo nijpend is dat men het zich kan veroorloven het baggeren te verlengen tot maximaal 20 jaar in plaats van 10 jaar. Dit riekt ons inziens naar bagger!

3. De overlast van de aanvoer van bagger per schip wordt onderschat. Zoals in het MER wordt aangegeven, moet rekening gehouden worden met wisselende aanvoer. Het betekent in de praktijk een toename van het aantal brugopeningen van gemiddeld 35% tot 140%!!! voor de Wilhelminabrug (Hoge Rijndijk), de Lammebrug (Europaweg) en de spoorbrug in de lijn tussen Leiden en Utrecht.

4. De Richtlijn van de Raad van de Europese Unie betreffende het storten van afvalstoffen stelt over gasvorming c.q. gasbeheersing het volgende: "Er dienen passende maatregelen te worden getroffen om de ophoping en de verplaatsing van stortplaatsgas te beheersen. Op alle stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt gestort, moet het stortplaatsgas worden opgevangen, behandeld en gebruikt."
De praktische uitvoering van deze richtlijn is in het MER nergens terug te vinden en daarmee voldoet deze stortplaats niet aan de richtlijn.

5. Uit het MER blijkt dat men (technisch) niet in staat is om de stortplaats goed te isoleren en ook niet bereid is om de isolatie sterk te verbeteren door middel van bentonietschermen gezien het ongunstige financiële plaatje. Daarnaast ontbreekt soms de praktische ervaring en zijn er, zeker als het de laag van Kedichem betreft, leemten in kennis. Het MER concludeert ook zelf dat de stortplaats, qua isolatie, niet voldoet aan Europese regelgeving.
De isolatie van de baggerstortplaats wil men realiseren door middel van peilbeheersing en geohydrologische isolatie om zo te voldoen aan de IBC-normen (Isoleren, Beheersen, Controleren). Echter, in deelnota 5 op blz. 40 stelt het MER: "Geohydrologische isolatie is dan ook bedoeld als beheersmaatregel en niet als isolatie-maatregel die direct na aanleg moet worden geactiveerd."
Conclusie: de baggerstortplaats Oostvlietpolder voldoet, als het gaat om de isolatie, niet aan de IBC-normen en niet aan de op 16 juli 1999 gepubliceerde Europese Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen.

6. Het verwijderen van chloride uit het retourwater van de stortplaats is volgens het MER technisch moeilijk uitvoerbaar en relatief duur. Er wordt dus van uit gegaan dat chloriden op het oppervlaktewater geloosd zullen worden. Dit betekent een eeuwigdurende verhoging van de hoeveelheid chloriden in het Rijn-Schiekanaal met 80 kilogram (lees: 80 flessen chloor) per dag!!!

7. De afdichting aan de onderzijde van het baggerdepot is afhankelijk van de aanwezigheid en dikte van de zogenaamde 'laag van Kedichem'. Het exacte voorkomen daarvan is onbekend en in 2 van de 5 diepe boringen in de Oostvlietpolder is deze laag NIET aangetoond. Desondanks wordt er van uit gegaan dat deze laag voldoende zal zijn om de baggerstortplaats aan de onderzijde van de omgeving te isoleren.

8. Het MER laat milieu-effecten bij calamiteiten buiten beschouwing. Zo wordt dus niet omschreven wat de gevolgen zijn voor de omgeving, het grondwater etc. en welke maatregelen zullen worden genomen indien er met de baggerstortplaats iets mis gaat.

9. Volgens het MER leert navraag bij deskundigen (RIZA, RIVM, VU), dat thans nog weinig bekend is over de verspreiding van ziekteverwekkers uit baggerspecie. (Dezelfde?) deskundigen achten desondanks de gezondheidsrisico's gering. Zonder kennis over deze materie is dat toch een vergaande uitspraak. Laten we het eens anders stellen..... "Zonder dat bij het comité veel over de gezondheidsrisico's bekend is, achten wij deze risico's groot." Een stelling die wij hier gemakkelijk kunnen deponeren omdat dit, evenals de stelling van de deskundigen in het MER, toch niet te verifiëren is.

10. De lijst in het MER van voorkomende dieren in de Oostvlietpolder is onvolledig; het natuuronderzoek in het MER schiet ernstig tekort. Het comité Vrienden Oostvlietpolder heeft na eigen (eenvoudig) onderzoek inmiddels vastgesteld dat er, naast de genoemde dieren in het MER, o.a. ook vlinders en hagedisachtigen (met name op de volkstuincomplexen) in de Oostvlietpolder voorkomen. Hagedisachtigen zijn beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet en vallen onder de 'Conventie van Bern'.
De Natuurbeschermingswet verbiedt burgers een beschermde soort te vangen en/of te koop aan te bieden, te doden, zijn nest of hol (leefgebied) te verstoren dan wel te beschadigen, etc. Berokkent het aanleggen van een baggerstortplaats (en bedrijventerrein) deze beschermde soorten en hun leefgebied geen schade?
Dat Nederland de 'Conventie van Bern' heeft ondertekend (19 september 1979), waarbij het zich o.a. verplicht tot bescherming van de leefgebieden van herpetofauna-soorten (waaronder hagedisachtigen), maakt het MER (maar ook het bestemmingsplan Oostvlietpolder) nog onbetrouwbaarder en twijfelachtiger.
Uit de 'Conventie van Bern': "Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten."
Van het MER mag een dus grondiger natuuronderzoek naar voorkomende plant- en diersoorten worden geëist. De uitkomsten hiervan dienen te worden getoetst aan Natuurbeschermingswetten en de door Nederland ondertekende 'Conventie van Bern'.

11. De weidevogels zullen uit dit deel van de provincie verdwijnen. De gevolgen van de aanleg van een baggerspeciedepot voor de beschermde vogelsoorten (Rode Lijst) kunnen niet gecompenseerd worden.
Er is sprake van een compensatieplicht: "Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden". Aan deze plicht kan NIET worden voldaan.

12. Ten onrechte wordt door de onderzoekers geconcludeerd dat een 'milieuhygiënisch verantwoorde aanleg in de Oostvlietpolder mogelijk is'. Om deze conclusie te kunnen trekken wordt gewoon 'vergeten' een deel van de door de onderzoekers zelf geconstateerde feiten te noemen. Als deze feiten wel genoemd worden, zoals bijvoorbeeld:
- isolatie van het baggerdepot conform IBC-normen en de eisen uit Europese regelgeving is niet mogelijk;
- de hoeveelheid chloride in het Rijn Schiekanaal zal blijvend (eeuwig) met 30% toenemen;
- er zullen bij het storten en bezinken van de bagger grote hoeveelheden broeikasgassen (kooldioxide en methaan) vrijkomen;
kan de conclusie niet anders luiden dan dat een milieuhygiënisch verantwoorde aanleg van een baggerstortplaats in de Oostvlietpolder NIET mogelijk is.

Graag vernemen wij uw reactie !