Reactie comité Vrienden Oostvlietpolder op

de antwoorden van Burgemeester en Wethouders Leiden

betreffende de natuurwaarden en de 'Conventie van Bern'

 

Leiden, 29 juni 2000.

Aan:
College van B&W gemeente Leiden, t.a.v. wethouder A. Pechtold
Postbus 9100, 2300 PC Leiden

Betreft:
Reactie antwoorden wethouder Pechtold, natuurwaarden Oostvlietpolder

 

Geachte wethouder,

In onze brief van 11 maart 2000 hebben wij u vriendelijk verzocht of u aan de hand van een viertal vragen het een en ander kon verduidelijken inzake de natuurwaarden van de Oostvlietpolder, de 'Conventie van Bern' en uw reacties gegeven in het Leidsch Dagblad rond die periode.
Tot onze ergernis hebben wij tot op heden van u c.q. het college geen enkel bericht vernomen, zelfs geen ontvangstbevestiging. Hopenlijk gaat u met de natuur in de Oostvlietpolder wat zorgvuldiger om.

Nu wil het geval dat de SP-fractie de vragen van het comité op 14 maart schriftelijk bij u heeft ingediend. De SP heeft van u wel reeds de antwoorden mogen ontvangen en is zo vriendelijk geweest deze aan het comité te doen toekomen.

Derhalve zijn wij in staat om op uw antwoorden onderstaande reactie te geven.

Ad. 1.
Als uitgebreider natuuronderzoek noemt u de inventarisatie van het bureau Natuur van de provincie Zuid-Holland. Een wat minder uitgebreid onderzoek is in 1998 uitgevoerd door Arcadis Heidemij Advies. In het MER (oktober 1999) zijn alle bestaande gegevens over flora en fauna bijeengebracht. Gelet op uw antwoorden acht u dit alles blijkbaar voldoende.

Het comité Vrienden Oostvlietpolder vindt het MER en uw antwoorden echter niet voldoende.
Uit een telefoongesprek met dhr. Kees Mosterd (één van de onderzoekers van bureau Natuur Zuid-Holland) is ons gebleken dat het natuuronderzoek zich slechts heeft beperkt tot enkele veldwaarnemingen waarbij met name vanaf de wegen rond de Oostvlietpolder is waargenomen. Is dit wat u verstaat onder een 'uitgebreid natuuronderzoek'?

U stelt dat ter plaatse van de volkstuinen de vegetatie sterk is gecultiveerd en daar dientengevolge nagenoeg geen bijzonder oorspronkelijke flora meer aanwezig zal zijn. Maar hoe is dat gesteld met de fauna?
In een brief aan het comité laat Drs. F. Hagedoorn werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam afd. Herpetologie weten: "Met name volkstuincomplexen vormen de laatste jaren geschikte biotopen voor amfibieën. Zeker in en rond Leiden".
Van deze eventueel voorkomende amfibieen is niets terug te vinden in het MER, eenvoudigweg omdat het niet gedegen is onderzocht! Zoals er naar onze overtuiging ook andere zaken niet gedegen zijn onderzocht.
Arcadis: "In sloten en langs oevers zijn mogelijk wel waardevolle vegetaties aanwezig". Ja inderdaad, het is mogelijk.

Uw twee (informele) Leidse Biologen zeggen dat er geen sprake is van een hoogwaardige vogelstand en er geen reden is om tot bijzondere beschermende maatregelen over te gaan.
Het MER spreekt echter over waardevolle broedparen en Rode Lijst soorten:
De Oostvlietpolder en Hofpolder zijn van betekenis voor weidevogels die typisch zijn voor open veenweidegebieden. In hoeverre de bestaande volkstuinen in de Oostvlietpolder hierop invloed hebben, in positieve of negatieve zin, is niet bekend. Waardevol is het grote aantal broedparen van de Grutto (Rode Lijst) in verhouding tot de Scholekster en Kievit en het voorkomen van enkele broedparen van de Tureluur (Rode Lijst). Bijzonder waardevol is het voorkomen van de Zomertaling (Rode Lijst) als broedvogel. Zangvogels als Veldleeuwerik en Graspieper komen opvallend weinig voor.
Het voorkomen van Rode lijstsoorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt. De Oostvlietpolder heeft voor de weidevogels een fourageer- en een broedfunctie.

Voorts willen wij u attenderen op bijgevoegd krantenartikel: "Het gaat niet goed met de grutto".
Als u dit hebt gelezen; hoe is het dan mogelijk, mede gelet op het gestelde in het MER, dat 'uw informele biologen' de vogelstand in de Oostvlietpolder niet hoogwaardig noemen?

Ad. 2.
Het is ons inziens onmogelijk dat u een ecologische zone als compensatie-gebied gaat inrichten terwijl de reeds aanwezige flora en fauna, de voorkomende soorten in de Oostvlietpolder, niet goed in kaart zijn gebracht en/of bekend zijn. Want hoe kun je nu iets compenseren waarvan het bestaan niet bekend is?

Ad. 3 en 4.
Hierover stelt het MER:
- De Oostvlietpolder valt onder het Randstad Groenstructuurbeleid en daarmee onder het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Compensatie is dus aan de orde.
- Het voorkomen van Rode lijstsoorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt.
- Het compensatiebeginsel is gebaseerd op het 'stand-still' beginsel. Uitgangspunt is dat in beginsel geen netto verlies aan natuur-, bos en recreatiewaarden mag plaatsvinden. Als er echter aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig is, waarvoor een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, moeten de verloren gegane waarden worden gecompenseerd. Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Compensatie moet worden gezocht in het plangebied waarbinnen verlies van waarden optreedt.

Uw antwoorden onder 3 en 4 vermelden dat zal worden gecompenseerd in de bestaande weidegebieden in de omgeving. Dit staat lijnrecht tegenover het gestelde in het MER dat compensatie ín het plangebied voorschrijft.

Tot slot:
Beschouwende uw antwoorden blijven wij van mening dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Oostvlietpolder het natuuronderzoek in de polder ernstig tekort heeft geschoten.
Het comité Vrienden Oostvlietpolder blijft derhalve bij haar standpunt dat hier in strijd is/wordt gehandeld met het gestelde in de 'Conventie van Bern' en de natuurbeschermingswet. Het comité handhaaft haar bezwaren zoals ingediend bij de Raad van State.

 

 

Namens het comité Vrienden Oostvlietpolder,

Hans Pieters.