Bedenkingen op het ontwerp
integrale herziening streekplan Zuid-Holland West
Leiden, 21 oktober 2002.
Aan:
Provinciale Staten van Zuid-Holland,
Postbus 90602, 2509 LP Den HaagBetreft:
bedenkingen op het ontwerp integrale herziening streekplan Zuid-Holland West
Geachte leden van Provinciale Staten Zuid-Holland,
De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil hierbij haar bedenkingen indienen inzake het ontwerp integrale herziening streekplan Zuid-Holland West volgens artikel 4a, lid 5 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
De bedenkingen van de Vereniging zijn vooral gericht tegen de in het ontwerpstreekplan omschreven plannen (inclusief concrete beleidsbeslissing 4) betreffende de Oostvlietpolder in de gemeente Leiden.
1. Het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder
In het ontwerpstreekplan wordt de reservering voor een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder van tenminste 40 hectare gehandhaafd. Op bladzijde 47 is hierover een 'concrete beleidsbeslissing' (nummer 4) opgenomen: "Het tot ontwikkeling brengen van een bedrijventerrein van tenminste 40 ha netto en het tot stand brengen van een groene verbinding tussen Vlietland en Polder Cronesteyn".
Deze concrete beleidsbeslissing is strijdig met deel 4 van de PKB Vinac.Deze strijdigheid is bevestigd door de Raad van State: De Raad van State heeft op 29 augustus 2001 het opnemen van dit bedrijventerrein in het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden in strijd geoordeeld met hogere regelgeving. De overwegingen van de Raad van State kwamen samengevat op het volgende neer: In zowel de PKB NRB behorende bij de Vinex als de PKB NRB behorende bij de Vinac is het gebied tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer aangewezen als bufferzone. In deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder, waarbij onder meer als voorwaarde is opgenomen dat de rest van de Oostvlietpolder binnen de bufferzone blijft en een groene inpassing krijgt. De uitzondering op het bufferzonebeleid ten behoeve van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder is niet in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac opgenomen.
Omdat de PKB ook voor het ontwerpstreekplan geldt als hogere regelgeving en er sinds de uitspraak van de Raad van State geen wijziging in deze regelgeving heeft plaatsgevonden, geldt ook voor deze concrete beleidsbeslissing in het ontwerpstreekplan, dat deze strijdig is met hogere regelgeving. Omdat de 5e Nota Ruimtelijke Ordening (nog) niet is vastgesteld en de regering heeft aangekondigd deze Nota op een aantal onderdelen te zullen gaan wijzigen, is er bovendien geen sprake van een concrete wijziging in de regelgeving, waarin in het ontwerpstreekplan alvast op vooruit gelopen kan worden.
Aan de Oostvlietpolder worden in het ontwerpstreekplan verschillende functies toegekend die thuishoren in een bufferzone / regionaal park*, zoals dagrecreatie en een groene, ecologische verbinding tussen de aangrenzende groenblauwe gebieden. Met die functies is de aanleg van een bedrijventerrein van tenminste 40 hectare moeilijk te rijmen. Het bedrijventerrein vormt een vanuit planologisch oogpunt gekunsteld aandoende uitstulping in en onderbreking van de aaneenschakeling van groenblauwe gebieden aan de oostzijde van de gemeenten Leiden, Voorschoten en Leidschendam.
* Een regionaal park is een herkenbare landschappelijke eenheid van niet-verstedelijkt gebied, aansluitend op de steden in een stedelijk netwerk. Regionale parken zijn bedoeld om de mogelijkheden van dagrecreatie voor de bewoners van stedelijke netwerken te vergroten en te verbeteren. In regionale parken is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie niet toegestaan.
Uit: Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, deel 3 kabinetsstandpunt, pagina 86 (vergaderjaar 2001-2002).Concrete beleidsbeslissing (4) is voorts volledig strijdig met kernpunt (3) van het streekplan dat als volgt verwoord is: "Het behoud en waar mogelijk ontwikkelen van de natuur-, landschaps- en/of cultuurhistorische waarden in de volgende gebieden: (...) de open weidegebieden; daartoe behoren in ieder geval (...) de polders tussen de A44 en de A4". (zie bladzijde 66, paragraaf 5 Kernpunten, Groenblauwe raamwerk K.3). De Oostvlietpolder beantwoordt volledig aan de criteria van kernpunt (3). Ook voor de auteurs van het ontwerp-streekplan is de logica van concrete beleidsbeslissing (4) kennelijk ver te zoeken.
De Oostvlietpolder is een onderdeel van de bufferzone / het regionale park tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer (zie de PKB NRB bij de Vinex en de Vinac). Als een bedrijventerrein hier al in zou passen, dan zeker niet een bedrijventerrein met ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën.
Tijdens de bezwaarprocedures tegen het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden is voortdurend de onduidelijkheid aan de orde geweest met betrekking tot de toegestane omvang van het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. Als er dan al een bedrijventerrein moet komen dan moet dit duidelijk begrensd zijn. Wij maken dan ook bezwaar tegen de formulering 'een bedrijventerrein van tenminste 40 hectare netto'. In het ontwerpstreekplan moet de maximaal toegestane oppervlakte van 40 hectare bruto, dat wil zeggen de totale omvang van het tot het bedrijventerrein te rekenen geheel van bebouwing, wegen, wateroppervlakken en groenvoorzieningen op en ter afscherming van het bedrijventerrein worden opgenomen.
2. De noodzaak van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder
Naar onze mening is de noodzaak voor de aanleg van een bedrijventerrein op deze locatie niet of nauwelijks onderbouwd. Er is nu en in de toekomst voldoende aanbod van bedrijventerreinen en bedrijfsruimtes in de regio.Uit verkenningen van de provincie Zuid-Holland zelf blijkt dat er in de Leidse regio voor bedrijven nog voldoende ruimte is om zich op bestaande of (nog) te ontwikkelen terreinen te vestigen.
Als belangrijkste locaties willen wij hier noemen:
Alkemade Veenderveld: 14 ha
Leiden Leeuwenhoek: 2,8 ha
Leiden/Oegstgeest Rijnfront: 40 ha
Leiderdorp Baanderij: 8,2 ha
Oegstgeest MEOB-terrein: 15 ha
Zoeterwoude/Rijnwoude: 10-15 ha
TOTAAL 90 ha
(Bron: Bedrijventerreinen in Zuid-Holland, uitgave Provincie Zuid-Holland; Verkenningen Vijfde Nota, Provincie Zuid-Holland; Haalbaarheidsstudie, Groenendijk, RBOI, Rotterdam)De Vereniging wil daarbij nog wijzen op de volgende locaties in de Leidse regio:
Alphen De Schans II 12 ha
Noordwijk Klei Oost 11,5 ha
Rijnsburg 8 ha
TOTAAL 31,5 haSamen 121,5 ha bedrijventerrein !!!!!
Bovendien heeft de provincie Zuid-Holland het voornemen om op Vliegveld Valkenburg naast woningbouw (8250 woningen) ook nog eens 50 hectare bedrijventerrein te ontwikkelen; 10 ha meer als in de Oostvlietpolder!
In het streekplan wordt voorspeld dat er in de Leidse Regio en de Duin- en Bollenstreek tussen 2000 en 2015 een tekort van 100 hectare bedrijfsterrein zou bestaan en tussen 2015 en 2020 een tekort van 35 hectare (zie bladzijde 28, paragraaf 3.4 'Ruimte voor werken'). Bovendien merken de planschrijvers in deze tekst op: "De ramingen kennen overigens een grote onzekerheidsmarge, zeker voor de periode na 2015. Een goede monitoring in overleg met de intergemeentelijke samenwerkingsorganisaties en de REO's (Regionaal Economisch Orgaan) is daarom nodig, zodat op basis daarvan periodiek een tussenbalans kan worden opgemaakt ter voorbereiding van eventuele additionele locaties".
Wij zijn van mening dat nu al sprake is van een zodanige wijziging van de economische omstandigheden dat de ramingen bijgesteld moeten worden, en niet in opwaartse zin zoals voorgaand citaat suggereert, maar in neerwaartse zin. De ramingen van de vraag naar bedrijfsterreinen zijn naar onze mening te hoog ingeschat. Wij baseren dit op de volgende feiten:
- Ramingen van de vraag naar bedrijfsruimte zijn gemaakt tijdens de economische hausse toen de beurskoersen twee keer zo hoog waren. Inmiddels zijn de economische groeicijfers in neerwaartse zin bijgesteld (er is al bijna sprake van een recessie). Dit zal ongetwijfeld leiden tot een lagere vraag naar bedrijfsruimte.
- Een en ander weerspiegelt zich in een toename van de leegstand van kantoor- en bedrijfsruimte in Zuid-Holland. Zo constateerden wij middels eigen onderzoek dat bij NVM-makelaars op 29 september 2002 in de regio Leiden/Duin- en Bollenstreek ruim 15 hectare bestaande bedrijfsruimte te koop of te huur werd aangeboden. Dit was exclusief kantoorruimte. Ook in de regio Alphen was veel aanbod van bestaande bedrijfsruimte.
- Daarnaast is in de regio Leiden/Duin- en Bollenstreek 79 hectare bedrijventerrein per direct beschikbaar, namelijk 65 hectare in Rijnsburg, 6 hectare in Sassenheim, 4 hectare in Hillegom, 2 hectare in Leiden en 2 hectare in Lisse.- Hierbovenop komt in 2003 nog eens 33 hectare extra beschikbaar, namelijk 4 hectare in Noordwijk en 29 hectare in Oegstgeest.
- Samenvattend: in plaats van een tekort van 100 hectare constateren wij op de korte termijn een ruim aanbod van 127 hectare. Gelet op de verkenningen van de provincie Zuid-Holland en de plannen voor Vliegveld Valkenburg is er ook op de langere termijn voldoende aanbod van bedrijfsterrrein.
- Het Leidsch Dagblad van 4 oktober 2002 meldt dat volgens burgemeester en wethouders van Oegstgeest de behoefte aan kantoorgebouwen en bedrijven in de Leidse Regio minder groot is dan aanvankelijk werd gedacht. Het oorspronkelijke plan voor de bouw van kantoren en bedrijven op het bedrijventerrein Rijnfront (in omvang vergelijkbaar met de Oostvlietpolder) is daarom inmiddels verlaten. Volgens de gemeente Oegstgeest moet er nu naast woningbouw op Rijnfront een groot groengebied worden aangelegd. Een dergelijk bericht is (opnieuw) een bevestiging van onze mening dat de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen in de Leidse Regio sterk wordt overtrokken. Er kan nu blijkbaar zomaar van de aanleg van 40 hectare nieuw bedrijventerrein worden afgezien!!! Als we de Leidse regio als één geheel beschouwen komt dit bericht uiterst merkwaardig voor: op Rijnfront in plaats van een bedrijventerrein een nieuw groengebied aanleggen terwijl in de Oostvlietpolder een natuurgebied (met Rode Lijst diersoorten) moet wijken voor een bedrijventerrein!!
Al deze feiten tonen volgens ons duidelijk aan dat er minder vraag is naar nieuwe bedrijventerreinen dan in het ontwerpstreekplan wordt gesuggereerd. Uit de verschillende inventarisaties blijkt dat er nu en in de toekomst bovendien voldoende aanbod van bedrijventerreinen is in de Leidse regio. Zoveel aanbod, dat het blijkbaar niet rendabel is om het bedrijventerrein Rijnfront te ontwikkelen en in ieder geval voldoende aanbod om nadrukkelijker rekening te houden met de andere ruimtelijke behoeften in de regio, vooral de behoefte aan meer ruimte voor de natuur en voor recreatie. Het is aan de provincie om een zorgvuldige afweging te maken tussen de wensen van de verschillende gemeenten om een 'eigen' bedrijventerrein aan te leggen. Volgens ons zijn er daarbij voldoende argumenten om de keuze niet op de Oostvlietpolder te laten vallen.
Tenslotte willen wij wijzen op de website van de Kamer van Koophandel Rijnland en wel de pagina 'Ondernemer en regio': "De regio Rijnland telt 24 gemeenten rondom de drie centrumgemeenten Katwijk, Leiden en Alphen aan den Rijn. Tezamen staan er in de Duin- en Bollenstreek, de Leidse regio en de Rijnstreek rondom Alphen 40.000 bedrijven ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er werken ruim 150.000 personen in het gebied. De bedrijvigheid is zeer divers van aard en de jaarlijkse ERBO-enquête (Enquête Regionale BedrijfsOntwikkeling) toont telkens weer aan dat dit gebied bovengemiddeld scoort voor wat betreft omzet, werkgelegenheid en rendementsontwikkeling".
Dit alles is al jaren mogelijk zonder de Oostvlietpolder!3. De bereikbaarheid van het bedrijventerrein Oostvlietpolder
De Vereniging maakt bezwaar tegen de voortdurende uitbreiding van het aantal industrie- en bedrijventerreinen in deze regio en meent dat de bestaande problemen rond mobiliteit en wonen hierdoor alleen maar zullen worden versterkt. Zo zullen de in deze regio gevestigde bedrijven in de toekomst met nog langere files te maken krijgen en zal de Randstad voor deze bedrijven steeds onwerkbaarder en onaantrekkelijker worden. Hierdoor gedwongen zullen zij zich buiten de regio vestigen, zodat het verwachte positieve effect van de bedrijventerreinen op de regionale werkgelegenheid zelfs om kan slaan in een negatief effect.In het concrete geval van het geplande bedrijventerrein in de Oostvlietpolder betekent dit dat dagelijks enkele duizenden werknemers vanuit de gemeente Leiden en van daarbuiten via de nu al overvolle rijksweg A4 en de provinciale Europaweg hun weg moeten zien te vinden van en naar het bedrijventerrein. Bovendien zullen veel bedrijven door hun bedrijfsmatige activiteiten (bevoorrading van en naar het bedrijventerrein, dienstverlenende bedrijvigheid) voor een extra belasting van de A4 en de Europaweg zorgen.
Eventuele oplossingen door uitbreiding van het openbaar vervoer zijn niet realistisch te noemen: Er wordt fors op het openbaar vervoer bezuinigd, het aanbod aan reizigers van en naar het bedrijventerrein is relatief gering en beperkt zich tot de ochtend- en avondspits en voor de bedrijfsmatige activiteiten biedt het openbaar vervoer geen enkel alternatief.
4. De bijdrage van de Oostvlietpolder aan de leefbaarheid van de Leidse regio
Ook voor het personeel van het geplande bedrijventerrein in de Oostvlietpolder zal het leven in deze regio door de voortgaande verstedelijking steeds onaantrekkelijker worden. Hierdoor zullen met name de mensen behorende tot de midden- of hogere inkomensgroepen vroeg of laat besluiten zich elders in Nederland (of in het buitenland) te vestigen. Want wat heeft de Leidse regio hen nog te bieden? Na het werk mag men de vrijetijdsbesteding invullen in een aaneengesloten, verstedelijkt gebied waaruit ontsnappen alleen nog met de auto mogelijk is en waarbij men zelfs in de weekenden nog in de file staat.Juist de oostkant van Leiden (Polderpark Cronesteyn, Vlietweg, Oostvlietpolder, Recreatiegebied Vlietlanden), die per fiets of wandelend vanuit Leiden goed bereikbaar is, wordt door zijn afwisselendheid en open (agrarische) karakter door veel mensen gewaardeerd, wat valt op te maken uit de enorme drukte als mensen er op een mooie dag op uit trekken. Het geeft de bewoners van Leiden en omstreken de mogelijkheid nog iets van het boerenleven te ervaren. Ouders en grootouders die even van hun fiets stappen om aan hun (klein)kinderen het melken van koeien te laten zien of een kalfje geboren te zien worden, lammetjes te zien dartelen in de wei.
Dit gebied met zijn huidige inrichting heeft dus een aantoonbare natuurlijke en recreatieve waarde en voorziet overduidelijk in een behoefte zodat wij er op willen aandringen dit open, groene gebied in zijn huidige ongerepte vorm te handhaven. Tegelijkertijd levert het behoud van gebieden als de Oostvlietpolder volgens ons een positieve bijdrage aan de leefbaarheid in deze regio en het terugdringen van het huidige hoge migratiesaldo.
5. De rode contour
In het ontwerpstreekplan wordt ten onrechte de hele Oostvlietpolder binnen de rode contour gebracht. Zoals op bladzijde 47 staat vermeld, is het tot stand brengen van een groene verbinding met voldoende breedte tussen Vlietland en Polderpark Cronesteyn een randvoorwaarde voor het geplande bedrijventerrein. Door de hele polder binnen de rode contour te plaatsen wordt geen recht gedaan aan die randvoorwaarde. Zelfs als de hier gelegen volkstuinen, ondanks hun aantoonbare natuurwaarden in combinatie met de aangrenzende weilanden, als stedelijke functies beschouwd moeten worden, moet het resterende deel van de Oostvlietpolder een blijvend groene bestemming krijgen en geen stedelijke bestemming.Behalve de in het ontwerpstreekplan aangegeven wens om een bedrijventerrein van 40 ha in de Oostvlietpolder te realiseren ontbreekt elke verdere onderbouwing waarom de Oostvlietpolder, onderdeel van de rijksbufferzone, binnen de rode contour geplaatst moet worden in tegenstelling tot bijvoorbeeld het naastgelegen recreatiegebied De Vlietlanden en polderpark Cronesteyn.
Gezien het massale, recreatieve gebruik van de Vlietweg door fietsers en wandelaars is de Oostvlietpolder in de bestaande vorm een voor de mens waardevol gebied. Door het open en groene karakter van de Oostvlietpolder ingrijpend te verstoren wordt het fundament onder de groene rijksbufferzone / regionaal park tussen Leiden, Den Haag en Zoetermeer aangetast, ontstaat er een versnipperd geheel aan onsamenhangende groenstroken, dat overal ontsierd wordt door het uitzicht op hoge bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen. En wat staat een verdere aantasting van de rijksbufferzone / het regionale park dan nog in de weg?
De Oostvlietpolder is de laatste ongerepte, agrarische polder in de gemeente Leiden en tevens een belangrijk weidevogelgebied.
Omdat er in het ontwerpstreekplan voor bebouwing van het vliegveld Valkenburg wordt gekozen, kan er volgens de Vereniging absoluut geen sprake meer van zijn om ook in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein te ontwikkelen. Dat zou betekenen dat het restant van de rijksbufferzone / het regionaal park in de directe omgeving van Leiden op verschillende plaatsen ernstig wordt aangetast. Deze ontwikkelingen zullen de natuur en leefbaarheid in de Leidse regio enorm schaden en lijken ons bovendien volledig in strijd met het rijksbufferzonebeleid, voorzover je daar dan nog van zou kunnen spreken!
6. De cultuurhistorische en natuurlijke waarde(n) van de Oostvlietpolder
De cultuurhistorische waarde(n)
Op de bij het ontwerpstreekplan gevoegde kaarten is aangeduid dat de Vlietweg wordt beschouwd als een 'bebouwingslint met cultuurhistorische waarde'. Bladzijde 83 van het ontwerpstreekplan vermeldt hierover de volgende omschrijving: "Bebouwingslint veelal in het landelijk gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen vanwege de cultuurhistorische waarde met name in relatie tot het omringende landschap".Deze terecht toegekende cultuurhistorische waarde van de Vlietweg kan ons inziens, maar ook volgens de omschrijving in het ontwerpstreekplan, niet los worden gezien van de rest van de Oostvlietpolder.....
Naast het feit dat het hier de allerlaatste ongerepte agrarische polder binnen de Leidse gemeentegrenzen betreft, is de Oostvlietpolder een veenweidegebied met een zeer open karakter. De bodemopbouw in het grootste gedeelte van de Oostvlietpolder is nog oorspronkelijk: er is geen veen weggeslagen of turf gestoken, er zijn geen zandplassen gemaakt en er is geen klei onttrokken. Langs de Vliet zijn er kleiafzettingen. De strook daarnaast bestaat uit zavel (klei met 60 tot 80% zand). De rest van de polder heeft als toplaag een veenpakket dat richting de A4 steeds dikker wordt. Tot een diepte van gemiddeld 3,5 meter onder het maaiveld bestaat die strook uit veen en venige klei.
De polder bestaat voor het overgrote deel uit weiland in combinatie met volkstuinen. Deze combinatie maakt de Oostvlietpolder qua natuurwaarde uniek. Zo vormen de weilanden en volkstuinen samen een prima leefgebied voor verscheidene amfibieën als de Gewone pad, Bruine kikker en Kleine watersalamander. Zij overwinteren o.a. op de volkstuinen en de verscheidenheid aan voedsel garandeert dat hun jongen hier kunnen opgroeien. De weilanden zijn voor hen belangrijk in verband met de aanwezige voortplantingswatertjes. De Groene Kikker is het vrijwel het hele jaar afhankelijk van de watertjes in de weilanden. Daarnaast vinden beschermde weidevogels als de Grutto, Tureluur en Zomertaling in de polder hun voedsel en een plek om te broeden.
Door in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein te realiseren wordt dit oorspronkelijke, cultuurhistorische en natuurlijke karakter onherstelbaar aangetast. Bovendien zal het merendeel van de voorkomende plant- en diersoorten verdwijnen. Wat in dat geval resteert van de 'cultuurhistorische' Vlietweg is niet meer dan een facade en overduidelijk strijdig met de in het ontwerpstreekplan geformuleerde omschrijving op bladzijde 83. Want als er in een dergelijk omschreven cultuurhistorisch gebied zelfs een bedrijventerrein met 'milieuhinderlijke bedrijvigheid' (bladzijde 71, K.64) mag worden aangelegd, wat heeft het dan nog voor zin om te spreken over 'beperkingen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen'?!
De natuurlijke waarde(n)
De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder maakt bezwaar tegen het feit dat er in het ontwerpstreekplan niet wordt aangekondigd dat er een nauwkeurig, uitgebreid natuuronderzoek in de polder moet worden gehouden voordat wordt begonnen met de uitvoering van welke activiteit dan ook. Naar onze mening moet bij dit onderzoek ook de flora en fauna op de bestaande volkstuincomplexen te worden betrokken (herpetologische soorten, vlinders, libelles, mezen, vinken enz.). Aan de hand van dit natuuronderzoek kan worden bepaald of de geplande activiteiten überhaupt doorgang kunnen vinden en kunnen (voordat bepaalde ontwikkelingen daadwerkelijk in gang worden gezet) eerst de juiste compenserende maatregelen worden genomen.De Vereniging heeft het standpunt dat, indien dit natuuronderzoek niet wordt gehouden, er in strijd wordt gehandeld (zo niet met de letter, dan zeker met de geest) van de Natuurbeschermingswet*, de nieuwe Flora- en Faunawet** en de door Nederland op 19 september 1979 ondertekende Conventie van Bern***. Bovendien wordt in dat geval de uitspraak van de Raad van State van 29 augustus 2001 genegeerd.
* Natuurbeschermingswet
De Natuurbeschermingswet verbiedt burgers een beschermde soort te vangen en/of te koop aan te bieden, te doden, zijn nest of hol (leefgebied) te verstoren dan wel te beschadigen, etc.** In de nieuwe Flora- en Faunawet zijn, met uitzondering van de huismuis, de bruine en zwarte rat, alle in het wild voorkomende niet gedomesticeerde dieren beschermd.
*** Conventie van Bern
Artikel 3, lid 2: Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten.De Vereniging wil in dit kader ook wijzen op het gestelde in het MER Oostvlietpolder (oktober 1999) dat in verband met de aan te leggen baggerstorplaats werd opgesteld:
De Oostvlietpolder valt ook onder het Randstad Groenstructuurbeleid en daarmee onder het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Compensatie is dus aan de orde.Het compensatiebeginsel
Het compensatiebeginsel is gebaseerd op het 'stand-still' beginsel. Uitgangspunt is dat in beginsel geen netto verlies aan natuur-, bos en recreatiewaarden mag plaatsvinden. Als er echter aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig is, waarvoor een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, moeten de verloren gegane waarden worden gecompenseerd. Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Compensatie moet worden gezocht in het plangebied waarbinnen verlies van waarden optreedt.Het voorkomen van zogenaamde 'Rode Lijst' diersoorten in de Oostvlietpolder zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt.
Het houden van een natuuronderzoek en de wijze waarop de gemeente Leiden het verlies aan natuur(waarden) door de aanleg van een bedrijventerrein binnen het plangebied dient te compenseren, moet volgens ons in het ontwerpstreekplan worden aangegeven. Het zou de provincie Zuid-Holland sieren dan ook op dit punt een concrete beleidsbeslissing op te nemen.
7. De baggerstortplaats
Zoals uit het ontwerpstreekplan blijkt, kan er (door een overeenkomst tussen de provincie Zuid-Holland en de beheerders van de baggerspeciestortplaats De Slufter) de komende 10 jaar 3 miljoen kubieke meter baggerspecie in De Slufter worden gestort. Hierdoor komt de noodzaak van een baggerstortplaats in de Oostvlietpolder te vervallen. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil de provincie met dit beleid complimenteren. Wel willen wij in dit kader aandringen om in de toekomst verwerkingsmethoden voor baggerspecie te stimuleren en/of in productie te nemen, om zo te voorkomen dat in de toekomst alsnog de behoefte zou ontstaan om in de Oostvlietpolder een baggerstortplaats aan te leggen.8. Tot slot
Overwegende en beschouwende:
- de reeds jarenlang lopende procedure met betrekking tot het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden en de door de Raad van State op 29 augustus 2001 gegrond verklaarde bezwaren van appellanten tegen dit bestemmingsplan;
- het Rijksbeleid inzake de Leidse Oostvlietpolder: de status van Rijksbufferzone;
- de voortdurende onzekerheid voor de leden en besturen van de volkstuinverenigingen in de Oostvlietpolder;
- de onzekere situatie voor de agrariërs in de Oostvlietpolder, de daaruit voortvloeiende beperkingen voor hun bedrijfsvoering en de (financiële) schade die zij daardoor oplopen;
- de in het verleden bij de gemeente Leiden ingediende 2000 handtekeningen vóór het behoud van de Oostvlietpolder zonder baggerstort en bedrijventerrein;maakt de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder bezwaar tegen dit ontwerpstreekplan en verzoeken wij u dringend het ontwerpstreekplan te herzien: De Oostvlietpolder buiten de rode contouren te plaatsen, geen bedrijventerrein op deze locatie te plannen en voor het onbebouwde deel van de polder de bestemming 'agrarisch onbebouwd' te handhaven.
Verder verzoeken wij u in het ontwerpstreekplan nadrukkelijk aandacht te besteden aan de aanwezige volkstuincomplexen en mogelijkheden te bieden het volkstuingebied te kunnen vergroten in verband met de uitbreidingsplannen van de begraafplaats Rhijnhof te Leiden en de daaruit voortvloeiende verplaatsing van volkstuinvereniging Veldheim naar de Oostvlietpolder.
Natuurlijk zijn wij altijd bereid het een en ander nader toe te lichten.
In afwachting van uw reactie tekent,
Hoogachtend,
Vereniging Vrienden Oostvlietpolder,
F. Overdijk, H. Pieters,
voorzitter secretaris