Gedachtewisseling ontwerpstreekplan Zuid-Holland West

Oostvlietpolder, gemeente Leiden

 

Donderdag 28 november 2002 heeft de provincie Zuid-Holland een gedachtewisseling georganiseerd over het Ontwerpstreekplan Zuid-Holland West. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder heeft bij de Statencommissie West opnieuw haar bedenkingen en bezwaren kenbaar gemaakt tegen het voornemen een bedrijventerrein met vervuilende bedrijven te realiseren in de Oostvlietpolder (zie onderstaande tekst).

 

Het ontwerpstreekplan Zuid-Holland West: basis voor (toekomstige) bestemmingsplannen en de inrichting van het westelijke deel van de provincie Zuid-Holland. Vervaardigd voor onze toekomst, ons geluk en welzijn en dat van onze kinderen.

Slechts een klein stukje van dat ontwerpstreekplan vormt de Oostvlietpolder; de laatste ongerepte agrarische polder op Leids grondgebied en de afgelopen jaren met regelmaat in het nieuws.

Voor vele bewoners uit Leiden (maar ook mensen uit nabij gelegen gemeenten) uiterst waardevol omdat zij hier nog de laatste mogelijkheid hebben om in hun eigen gemeente (op loop- en fietsafstand) iets van het buitenleven te ervaren: hun volkstuinhobby op een landelijke locatie te bedrijven, te fietsen langs het open landschap, te wandelen of skeeleren over de Vlietweg. Kortom, naast de agrarische functie draagt de Oostvlietpolder bij aan het welzijn en de ontspanning van mensen die de hele week hebben gewerkt of genieten van hun oude dag.

Maar volgens de makers van het ontwerpstreekplan een bestemming die blijkbaar niet meer past bij onze huidige behoeften. Want op bladzijde 47 van het ontwerpstreekplan is over de Leidse Oostvlietpolder een 'concrete beleidsbeslissing' (nummer 4) opgenomen: "Het tot ontwikkeling brengen van een bedrijventerrein van tenminste 40 ha netto en het tot stand brengen van een groene verbinding tussen Vlietland en Polder Cronesteyn".

En alle 'groene plannen' en voornemens ten spijt, wanneer deze concrete beleidsbeslissing daadwerkelijk wordt uitgevoerd, zal dit voor mens en dier het einde van de huidige agrarische Oostvlietpolder betekenen en zullen natuur en milieu voor de zoveelste maal ondergeschikt gemaakt worden aan veronderstelde economische behoeften.

De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder roept u met klem op het bij de Leidse Oostvlietpolder nu eens anders ofwel 'gedurfder' te doen, namelijk door de polder ongerept en agrarisch te (be)houden! Vóór het behoud van Leidens laatste polder zijn vele argumenten aan te voeren zoals wij ook reeds hebben aangegeven bij onze ingediende bedenkingen op het ontwerpstreekplan d.d. 21 oktober 2002.
Als belangrijkste bedenkingen en overwegingen willen wij hier (nogmaals) onder uw aandacht brengen:

1. Het rijksbufferzonebeleid / regionaal park
De Oostvlietpolder maakt deel uit van de rijksbufferzone / het regionale park* Den Haag, Leiden en Zoetermeer. De Raad van State heeft op 29 augustus 2001 het opnemen van een bedrijventerrein in het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden (april 1999) in strijd geoordeeld met hogere regelgeving, omdat de uitzondering op het rijksbufferzonebeleid ten behoeve van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder niet in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac is opgenomen. Omdat de PKB ook voor het ontwerpstreekplan geldt als hogere regelgeving en er sinds de uitspraak van de Raad van State geen wijziging in deze regelgeving heeft plaatsgevonden, geldt ook voor deze concrete beleidsbeslissing dat deze strijdig is met hogere regelgeving.

* Een regionaal park is een herkenbare landschappelijke eenheid van niet-verstedelijkt gebied, aansluitend op de steden in een stedelijk netwerk. Regionale parken zijn bedoeld om de mogelijkheden van dagrecreatie voor de bewoners van stedelijke netwerken te vergroten en te verbeteren. In regionale parken is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie niet toegestaan.
Uit: Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, deel 3 kabinetsstandpunt, pagina 86 (vergaderjaar 2001-2002).

Bovendien, het rijksbufferzonebeleid is er voor om het aaneengroeien van steden tegen te gaan en open groene ruimten en de leefbaarheid rondom steden nu en in de toekomst te behouden. Welk een zin heeft het gebieden eerst als rijksbufferzone aan te wijzen om vervolgens een aantal jaren later deze gebieden alsnog te bebouwen omdat economische behoeften zwaarder wegen?

Gevolg: deze generatie bebouwt de Oostvlietpolder om de gewenste economische groei in deze regio te kunnen realiseren. De volgende generatie(s) heeft/hebben straks ongetwijfeld ook dergelijke behoeften en bouwen vast en zeker de overige polders in de randstad vol. En dan? Als die open ruimten dan ook zijn volgebouwd?

Steunen wij dit rijksbufferzonebeleid om het polderlandschap nabij de steden te behouden of vinden wij het inmiddels onzin en laten wij toekomstige generaties geen keuze? Telt voor elke m2 poldergrond alléén het financiële gewin of mogen toekomstige stedelingen in de randstad ook nog tot rust komen en genieten van koeien, schapen en een polderlandschap nabij hun stad? Kortom, denken wij ook nog aan ons welzijn in plaats van alleen aan de welvaart?!

En als een bedrijventerrein al in de Oostvlietpolder zou passen, dan zeker niet een bedrijventerrein met ruimte voor 'bedrijven in de hogere milieucategorieën' zoals in tegenstelling tot eerdere plannen nu ineens in dit ontwerpstreekplan staat vermeld.

De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil u hierover de volgende vragen voorleggen:
1. Hoe denkt de provincie de strijdigheid met de hogere regelgeving op te lossen? Betekent dat wachten op of vooruitlopen op de 5e Nota?
2. Hoe denkt provincie anders recht te doen aan de uitspraak van de Raad van State (29 augustus 2001) als het streekplan nog binnen de Vinac moet passen?
3. 'Bedrijven in de hogere milieucategorieën'. Wat betekent dat concreet (welke soort bedrijven?) en waarom ten opzichte van vorige plannen nu ineens een hogere categorie toestaan? Is dat omdat er te weinig vraag is van 'milieuvriendelijke' bedrijven?

2. De noodzaak van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder
De provincie Zuid-Holland en de gemeente Leiden stellen dat er een tekort is aan bedrijventerrein in de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek en dat dit een bedreiging vormt voor de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in de regio. De feiten weerspreken dit echter.

Zo lezen wij in het Leidsch Dagblad van donderdag 21 november 2002 (zie bijlage 1): "De Leidse regio en de Bollenstreek kennen de sterkste economische groei van Zuid-Holland. Ook vergeleken met de rest van Nederland boert de streek zeer goed. () De gunstige cijfers voor de Leidse agglomeratie lijken haaks te staan op de oproep van het regionale bedrijfsleven aan gemeentebesturen: geef ons ruimte, want het gaat niet goed met de economie".

De krant baseert zich op onafhankelijk en deskundig onderzoek, namelijk het rapport "Cijfers en Trends Zuid-Holland" van de RABO-bank. Uit dit onderzoek valt te concluderen dat het minder droevig is gesteld met de economie in de Leidse regio en de Bollenstreek dan de opstellers van het ontwerpstreekplan ons willen doen geloven. Het lijkt wel of er een fictief probleem moet worden opgelost.
Bovendien is grootschalige ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen niet het enige beleidsinstrument dat kan worden toegepast voor stimulering van de regionale economie. Veelzeggend in dit verband is de volgende opmerking uit de Provinciaal Economische Visie (25 september 2001, pagina 9) dat ten grondslag ligt aan dit ontwerpstreekplan: "Het blijft een open vraag waarom vooral Noord-Holland en Utrecht het economisch beter doen dan Zuid-Holland, terwijl ook die provincies kampen met ruimtetekorten en congesties."

Wordt het geen tijd dat de provincie Zuid-Holland eerst een antwoord vindt op deze "open vraag" voordat zij terugvalt op het oude recept van plegen van roofbouw op natuur en open ruimten dat al sinds mensenheugenis wordt toegepast?

Zo zijn de plannen voor de Oostvlietpolder gemaakt ten tijde van de economische hausse. Inmiddels zijn de economische groeicijfers in neerwaartse zin bijgesteld. Een en ander weerspiegelt zich in een toename van leegstand van kantoor- en bedrijfsruimten niet alleen in Zuid-Holland maar ook in de rest van Nederland. Graag willen wij u hierbij wijzen op een artikel uit de Volkskrant van 15 november 2002 (zie bijlage 2): "In Nederland staat mede als gevolg van de economische malaise vier miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg, ruim 10 procent van het totale kantooroppervlak. Dit is anderhalf keer zo veel als tijdens de vorige kantorendip, begin jaren negentig. Volgens bank/verzekeraar ING is het 'zeer de vraag' of de kantoren ooit nog vol komen".

En ook als het gaat om bedrijventerreinen en de provincie, de gemeente Leiden en het bedrijfsleven om het hardst roepen dat er een tekort is..... De feiten zijn anders: de vraag naar bedrijfsruimte neemt af, het aanbod is groot en neemt nog steeds toe. Uit verschillende door de Vereniging aangevoerde bronnen blijkt een aanbod dat ruim de door de provincie genoemde vraag overstijgt.

In plaats van een vermeend tekort van 100 hectare bedrijventerrein (exclusief kantoorruimte) dat in het ontwerpstreekplan wordt genoemd constateren wij op de korte termijn een ruim aanbod van 127 hectare. Daarnaast tonen eerdere verkenningen van de provincie Zuid-Holland ook op de langere termijn voldoende aanbod van bedrijfsterrein (zie onze ingediende bedenkingen op het ontwerpstreekplan van 21 oktober 2002).

Daarnaast hebben burgemeester en wethouders van Oegstgeest onlangs verklaard dat de behoefte aan kantoorgebouwen en bedrijfsruimte in de Leidse regio minder groot is dan aanvankelijk werd gedacht. Onacceptabel vindt de Vereniging het in dit verband, dat de gemeente Oegstgeest in plaats van het geplande bedrijventerrein Rijnfront (in omvang vergelijkbaar met de Oostvlietpolder) een groot nieuw groengebied met woonwijk aan wil leggen terwijl in Leiden de bestaande beschermde natuur van de Oostvlietpolder (Rode Lijst diersoorten) zou moeten wijken voor milieu-onvriendelijke bedrijven (zie bijlage 3).

Samenvattend:
- De economie in de Leidse regio en de Bollenstreek doet het uitstekend ondanks het vermeende tekort aan bedrijfsruimte.
- De provincie heeft onvoldoende inzicht in de factoren die bijdragen aan het economische succes van de Leidse regio en de Bollenstreek. Wij menen dat de provincie dit inzicht eerst verder dient te ontwikkelen voordat zij beslissingen neemt die neerkomen op het plegen van roofbouw op de groene ruimte.
- Er is meer aanbod van bedrijfsruimte in de Leidse regio en de Bollenstreek dan de opstellers van het ontwerpstreekplan ons willen doen geloven. Ook als de economie weer aan gaat trekken, blijft er voldoende aanbod.

Bovenstaande feiten en berichten tonen volgens ons duidelijk aan dat er minder vraag is naar nieuwe bedrijventerreinen dan in het ontwerpstreekplan wordt gesuggereerd. En er is blijkbaar zoveel aanbod dat het niet langer noodzakelijk en rendabel is om het bedrijventerrein Rijnfront (Oegstgeest) te ontwikkelen. Er kan dus in dit ontwerpstreekplan volgens ons nadrukkelijker rekening gehouden met andere ruimtelijke behoeften in de regio waar een schrijnend tekort aan is: de open groene ruimten voor natuur, het boerenleven en recreatie als de Oostvlietpolder!

Het is aan de provincie om een zorgvuldige afweging te maken tussen de wensen van de verschillende gemeenten om een 'eigen' bedrijventerrein aan te leggen. Volgens ons zijn er daarbij voldoende argumenten om de keuze niet langer op de Oostvlietpolder te laten vallen.

De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil u hierover de volgende vragen voorleggen:
1. Op welke cijfers baseert de provincie de noodzaak van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder?
2. Hoe objectief zijn deze cijfers? De cijfers mogen ons inziens bijvoorbeeld niet zijn gebaseerd op een enquête van de Kamer van Koophandel, want die zal altijd zeggen dat er gebrek is aan bedrijfsterreinen om zo de prijzen van bedrijfsgronden laag te houden en ook niet een enquête onder gemeenten, want die zien in bedrijventerreinen altijd een mooie bron van inkomsten.
3. Zijn de cijfers waarop de provincie zich baseert openbaar en actueel en kunnen wij die cijfers inzien?

3. De cultuurhistorische waarde(n) en natuurlijke waarde(n) van de Oostvlietpolder
De cultuurhistorische waarde(n)
Op de bij het ontwerpstreekplan gevoegde kaarten is aangeduid dat de Vlietweg wordt beschouwd als een 'bebouwingslint met cultuurhistorische waarde'. Bladzijde 83 van het ontwerpstreekplan vermeldt hierover de volgende omschrijving: "Bebouwingslint veelal in het landelijk gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen vanwege de cultuurhistorische waarde met name in relatie tot het omringende landschap".

Door in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein te realiseren wordt dit oorspronkelijke, cultuurhistorische en natuurlijke karakter onherstelbaar aangetast. Bovendien zal het merendeel van de voorkomende plant- en diersoorten verdwijnen. Wat in dat geval resteert van de 'cultuurhistorische' Vlietweg is niet meer dan een facade en overduidelijk strijdig met de in het ontwerpstreekplan geformuleerde omschrijving op bladzijde 83. Want als er in een dergelijk omschreven cultuurhistorisch gebied zelfs een bedrijventerrein met 'milieuhinderlijke bedrijvigheid' (bladzijde 71, K.64) mag worden aangelegd, wat heeft het dan nog voor zin om te spreken over 'beperkingen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen'?!

De natuurlijke waarde(n)
De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder maakt bezwaar tegen het feit dat er in het ontwerpstreekplan niet wordt aangekondigd dat er een nauwkeurig, uitgebreid natuuronderzoek in de polder moet worden gehouden voordat wordt begonnen met de uitvoering van welke activiteit dan ook. Naar onze mening moet bij dit onderzoek ook de flora en fauna op de bestaande volkstuincomplexen te worden betrokken (herpetologische soorten, vlinders, libelles, mezen, vinken enz.). Aan de hand van dit natuuronderzoek kan worden bepaald of de geplande activiteiten überhaupt doorgang kunnen vinden en kunnen (voordat bepaalde ontwikkelingen daadwerkelijk in gang worden gezet) eerst de juiste compenserende maatregelen worden genomen.

De Vereniging heeft het standpunt dat, indien dit natuuronderzoek niet wordt gehouden, er in strijd wordt gehandeld (zo niet met de letter, dan zeker met de geest) van de Natuurbeschermingswet*, de nieuwe Flora- en Faunawet** en de door Nederland op 19 september 1979 ondertekende Conventie van Bern***. Bovendien wordt in dat geval de uitspraak van de Raad van State van 29 augustus 2001 genegeerd.

* Natuurbeschermingswet
De Natuurbeschermingswet verbiedt burgers een beschermde soort te vangen en/of te koop aan te bieden, te doden, zijn nest of hol (leefgebied) te verstoren dan wel te beschadigen, etc.
** In de nieuwe Flora- en Faunawet zijn, met uitzondering van de huismuis, de bruine en zwarte rat, alle in het wild voorkomende niet gedomesticeerde dieren beschermd.
*** Conventie van Bern
Artikel 3, lid 2: Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten.

Het houden van een natuuronderzoek en de wijze waarop de gemeente Leiden het verlies aan natuur(waarden) door de aanleg van een bedrijventerrein binnen het plangebied dient te compenseren, moet volgens ons in het ontwerpstreekplan worden aangegeven. Het zou de provincie Zuid-Holland sieren dan ook op dit punt een concrete beleidsbeslissing op te nemen.

De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil u hierover de volgende vragen voorleggen:
1. Hoe kan een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder gerealiseerd worden zonder de ook door de provincie erkende cultuurhistorische waarde(n) van de polder aan te tasten?
2. Is er (voorafgaande aan het ontwerpstreekplan) onderzoek naar gedaan naar de natuurwaarden van de Oostvlietpolder?
Zo ja, kunnen wij de uitslagen van dit onderzoek inzien en hoe denkt de provincie de verloren gegane natuurwaarden binnen het plangebied te compenseren?
Zo nee, gaat de provincie alsnog een dergelijk natuuronderzoek in de Oostvlietpolder houden alvorens tot vaststelling van het (ontwerp)streekplan over te gaan?

4. De baggerstortplaats
Door een overeenkomst tussen de provincie Zuid-Holland en de beheerders van de baggerspeciestortplaats De Slufter kan de komende 10 jaar 3 miljoen kubieke meter baggerspecie in De Slufter worden gestort. Hierdoor komt de noodzaak van een baggerstortplaats in de Oostvlietpolder te vervallen. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder wil de provincie met dit beleid complimenteren.

5. Tot slot
Overwegende en beschouwende:
- de reeds jarenlang lopende procedure met betrekking tot het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden en de door de Raad van State op 29 augustus 2001 gegrond verklaarde bezwaren van appellanten tegen dit bestemmingsplan;
- het Rijksbeleid inzake de Leidse Oostvlietpolder: de status van Rijksbufferzone;
- de veranderde economische en financiële situatie in Nederland;
- de aantoonbare natuurlijke en recreatieve waarde van de Oostvlietpolder;
- de voortdurende onzekerheid voor de leden en besturen van de volkstuinverenigingen in de Oostvlietpolder;
- de onzekere situatie voor de agrariërs in de Oostvlietpolder, de daaruit voortvloeiende beperkingen voor hun bedrijfsvoering en de (financiële) schade die zij daardoor oplopen;
- de in het verleden bij de gemeente Leiden ingediende 2000 handtekeningen vóór het behoud van de Oostvlietpolder zonder baggerstort en bedrijventerrein;

verzoeken wij u dringend het ontwerpstreekplan te herzien: De Oostvlietpolder buiten de rode contouren te plaatsen, geen bedrijventerrein op deze locatie te plannen en voor het onbebouwde deel van de polder de 'duurzaam en gedurfde' bestemming 'agrarisch onbebouwd' te handhaven.

 

Vereniging Vrienden Oostvlietpolder

 

**********************************************************

Bijlage 1

-back-

Bijlage 2

-back-

Bijlage 3

-back-

 

Home