Bezwaarschrift ontheffing verleend aan de gemeente Leiden
artikel 75 Flora- en faunawet, aanvraagnummer FF/75C/2003/131
De in dit bezwaarschrift genoemde bijlagen zijn niet op deze website geplaatst.
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
Leiden, 8 maart 2004.
Aan:
LASER Dordrecht, afdeling bezwaarschriften
Postbus 1191, 3300 BD DordrechtBetreft:
bezwaarschrift ontheffing verleend aan de gemeente Leiden
artikel 75 Flora- en faunawet, aanvraagnummer FF/75C/2003/131
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij willen de onderstaande organisaties en/of personen een bezwaarschrift indienen inzake de aan de gemeente Leiden verleende ontheffing van 3 februari 2004 als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet aanvraagnummer FF/75C/2003/131, aangevuld op 24 september 2003 (zie bijlage 1).
1. Vereniging Vrienden Oostvlietpolder (zie bijlage 2)
2. Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder
3. Vereniging Bewoners Vrouwenweg
4. Dhr. W.H.L. van der Post (Melk- en fokveebedrijf 'De Elza Hoeve')
(eigenaar van gronden in de Oostvlietpolder waarop diverse weidevogels nestelen)Organisaties en/of personen zijn van mening dat de vermelde ontheffing onterecht is verleend omdat in het bestemmingsplan Oostvlietpolder (20 januari 2004) de instandhouding van voorkomende flora- en fauna in de Oostvlietpolder onvoldoende is geregeld en gegarandeerd. Sterker nog: alle 'groene plannen' en maatregelen ten spijt, wanneer dit bestemmingsplan werkelijkheid wordt, zal dit uiteindelijk het definitieve einde van de huidige agrarische Oostvlietpolder betekenen en zullen natuur en milieu voor de zoveelste maal ondergeschikt gemaakt worden aan veronderstelde economische behoeften.
Hieronder willen wij onze bezwaren verder uiteenzetten en motiveren.
1. De natuurlijke waarde(n) van de Oostvlietpolder
Naast het feit dat het hier de allerlaatste ongerepte agrarische polder binnen de Leidse gemeentegrenzen betreft, is de Oostvlietpolder een veenweidegebied met een zeer open karakter. De polder bestaat voor het overgrote deel uit weiland in combinatie met volkstuinen. Deze combinatie maakt de Oostvlietpolder qua natuurwaarde uniek. Zo vormen de weilanden en volkstuinen samen een prima leefgebied voor verscheidene amfibieën als de Gewone pad, Bruine kikker en Kleine watersalamander. Zij overwinteren o.a. op de volkstuinen en de verscheidenheid aan voedsel garandeert dat hun jongen hier kunnen opgroeien. De weilanden zijn voor hen belangrijk in verband met de aanwezige voortplantingswatertjes. De Groene Kikker is vrijwel het hele jaar afhankelijk van de watertjes in de weilanden. Daarnaast vinden beschermde weidevogels als de Grutto, Tureluur en Zomertaling (Rode Lijst) in de polder hun voedsel en een plek om te broeden.
Het natuurwaardenonderzoek in opdracht van de gemeente Leiden heeft aandacht besteed aan de volgende groepen: flora, broedvogels, zoogdieren (waaronder vleermuizen), amfibieën en vissen. Er is geen onderzoek gedaan naar insectensoorten als vlinders, slakken en libelles.
Tijdens het natuurwaardenonderzoek in opdracht van de gemeente Leiden zijn in de Oostvlietpolder 86 diersoorten (waaronder 35 soorten broedvogels) aangetroffen die een beschermde status genieten (zie bijlage 3). Opvallend en zeer positief detail is de vestiging van twee paar zomertaling in de Oostvlietpolder; een sterk bedreigde Rode Lijstsoort die juist landelijk en regionaal fors in aantal is afgenomen. De vestiging van de zomertaling gaat tegen de heersende trend (afname) bij deze soort in.
2. Beperking van het verlies aan natuurwaarden
In het ontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder staat op bladzijde 55: "Het totale verlies aan natuurwaarden bedraagt circa 20% van de huidige weidevogelbroedparen met slecht 1 broedpaar van een Rode Lijstsoort (grutto). De vereiste natuurcompensatie in de vorm van een nieuwe graslandreservaat is gelegen in de noordwesthoek van het gebied.
De zuidwesthoek is in de huidige situatie zeer geschikt als compensatielocatie; op de langere termijn kan deze oplossing echter niet als "duurzaam" worden aangemerkt, en wel om twee redenen:
1. de aansluiting van de mogelijke A11/N11 zal in deze hoek leiden tot een aanzienlijk verlies aan graslandareaal en een sterk toenemende verstoring door verkeerslawaai en licht; in deze hoek is op lange termijn derhalve geen duurzaam natuurbehoud mogelijk;
2. de zuidwesthoek is - zeker bij realisatie van de A11/N11 - een potentiële uitbreidingslocatie van het bedrijvenpark, waar, gelet op de grote (lokale en regionale) behoefte aan bedrijventerrein, sprake zal zijn van een aanzienlijke verstedelijkingsdruk".Bladzijde 62: "Door de realisering van het bedrijventerrein zal het leefgebied van weidevogels voor een deel verdwijnen. In totaal gaat het om circa 20 broedparen, vooral kieviten en scholeksters en in mindere mate grutto's. (...) In de Oostvlietpolder zal de vereiste natuurcompensatie worden gerealiseerd door kwaliteitsverbetering van de noordwesthoek (30 ha) in combinatie met het opnemen van een natuurbestemming".
Deze en nog enkele andere bladzijden zijn door de gemeente Leiden aangevoerd om aan te geven hoe de schade aan de beschermde dier- en plantensoorten tot een minimum kan worden beperkt. Tevens moeten deze bladzijden een beschrijving geven van de voorgenomen mitigerende en/of compenserende maatregelen. Zoals uit ons bezwaarschrift onder "De ontheffing op de flora en faunawet" moge blijken, is het voortbestaan van de beschermde vogelsoorten (rode lijst) en overige voorkomende flora en fauna in de Oostvlietpolder door deze maatregelen echter verre van gewaarborgd!
3. De ontheffing op de flora en faunawet
De brief van Laser van 3 februari 2004 aan de gemeente Leiden (onderwerp FF/75C/2003/131) vermeldt op vervolgblad 2 onder de paragraaf 'Instandhouding van de soort': "Realisatie van het plan heeft geen blijvende effecten op de fourageerfunctie van het gebied voor vleermuizen. Wel zal door de aanlegwerkzaamheden weidevogelgebied verloren gaan. Dit zal worden gecompenseerd door het instellen van een weidevogelreservaat. (...) Van de soorten waarvoor ontheffing is aangevraagd wordt geen in zijn voortbestaan bedreigd. Door de realisatie van het plan komt de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar".
Naar aanleiding hiervan willen wij het volgende opmerken:
In de aanvraag ontheffing flora- en faunawet d.d. 23 september 2003 (aanvraagnummer FF/75C/2003/131) van de gemeente Leiden wordt slechts een ontheffing aangevraagd voor de voorkomende zoogdieren (m.u.v. de vijf soorten vleermuizen), de amfibieën, vissen en de zwanebloem. Voor de in de gehele polder voorkomende beschermde vogelsoorten (zie bijlage 3) wordt ten onrechte door de gemeente Leiden geen ontheffing aangevraagd ondanks dat het aanleggen van een industrieterrein tot gevolg heeft dat de vaste voortplantings-, rust- en verblijfplaats van deze voorkomende vogelsoorten definitief wordt beschadigd en vernield (Flora- en faunawet artikel 11).Tegen het ontbreken van de verschillende beschermde vogelsoorten, zowel in de aanvraag als de verleende ontheffing, maken wij ernstig bezwaar. De aanleg van het industrieterrein en de daarvoor noodzakelijke infrastructuur strekt zich uit over een periode van een aantal jaren; het is onvermijdelijk dat deze werkzaamheden ook in het broedseizoen plaats zullen vinden. Het is dus niet terecht dat in de aanvraag gesteld wordt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats zullen vinden.
Daarnaast zijn er vogelsoorten die buiten het broedseizoen of bijna het gehele jaar de Oostvlietpolder als hun leefgebied hebben. Denk hierbij aan: knobbelzwaan, ooievaar, waterhoen, meerkoet, meeuwen, blauwe reiger, etc. (zie bijlage 3).Bovendien is het zo dat voor een aantal van de soorten weidevogels die in de Oostvlietpolder voorkomen (zoals de grutto en de tureluur) geldt, dat deze soorten gedragsbepaald ieder jaar op dezelfde broedplek terugkeren. Deze broedplaatsen moeten daarom ook buiten het broedseizoen beschermd worden. Door de aanleg van het industrieterrein en de daarvoor noodzakelijke infrastructuur zullen deze broedplaatsen definitief verdwijnen.
Het Europese Hof van Justitie heeft in de zaak 252/85, Commissie/Frankrijk (Jur. 1988, 2243), ov. 9 bepaald, dat de Europese vogelrichtlijn (79/409) deze permanente bescherming van het broedgebied wel degelijk afdwingt. De overwegingen van het Hof waren de volgende:
"As regards the first aspect of this complaint, it must be stressed that the prohibitions set out in Article 5(b) and (c) of the [Birds] Directive must apply without any limitation in time.
An uninterrupted protection of the birds' habitat is necessary since many species re-use each year nests built in earlier years. To suspend that protection throughout a particular period of the year cannot be considered to be compatible with the abovementioned prohibition".Er is onvoldoende onderzocht wat de effecten zijn van de aanleg van het industrieterrein en de daarvoor noodzakelijke infrastructuur op de voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen van de in de Oostvlietpolder voorkomende weidevogels en andere beschermde vogelsoorten. Ook is niet onderbouwd waarom geen ontheffing aangevraagd zou moeten worden voor het definitief laten verdwijnen van de voortplanting-, rust- en verblijfplaatsen van de in de Oostvlietpolder voorkomende weidevogels en andere beschermde vogelsoorten.
Het (ontwerp) bestemmingsplan doet absoluut geen recht aan het compensatiebeginsel:
"Het compensatiebeginsel is gebaseerd op het 'stand-still' beginsel. Uitgangspunt is dat in beginsel geen netto verlies aan natuur-, bos en recreatiewaarden mag plaatsvinden. Als er echter aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig is, waarvoor een ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, moeten de verloren gegane waarden worden gecompenseerd. Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Compensatie moet worden gezocht in het plangebied waarbinnen verlies van waarden optreedt. Het voorkomen van Rode Lijst-soorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt. De Oostvlietpolder valt ook onder het Randstad Groenstructuurbeleid en daarmee onder het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Compensatie is dus aan de orde".
(Bron: MER Oostvlietpolder, oktober 1999)Daarnaast moet volgens Europese regelgeving de natuurcompensatie vóór of in ieder geval tegelijkertijd met de plannen worden geregeld, die de natuuraantasting mogelijk maken. Het (ontwerp) bestemmingsplan is op dit punt in strijd met de Europese regelgeving: Er was aan de gemeente Leiden ten tijde van de vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan (20 januari 2004) door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geen ontheffing op de flora- en faunawet verleend.
Als lid van de Europese Unie heeft Nederland de verplichting op zich genomen ervoor te zorgen dat de populatie van de Rode Lijst soorten in stand wordt gehouden of op een hoger niveau wordt gebracht. Deze opdracht wordt wat betreft de grutto geenszins gehaald; eerder het tegendeel is het geval. De tot nu toe aangewezen beschermingszones blijken absoluut niet voldoende te zijn. Door het aanleggen van een industriegebied in de Oostvlietpolder wordt weer een geschikt (grutto) leefgebied aan vernietiging blootgesteld. Voor verdere informatie verwijzen wij naar de bijlagen 4 en 5.
4. De natuur(compensatie)gebieden
Graslandreservaat
De omvang van het te realiseren graslandreservaat van 30 hectare is onvoldoende om dit reservaat goed te laten functioneren. Deze stelling wordt onderschreven door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB). In ons beroepschrift tegen het vorige bestemmingsplan Oostvlietpolder van april 1999 heeft de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder (destijds als Comité Vrienden Oostvlietpolder) voorgesteld het oorspronkelijk voor een baggerstort locatie bestemde gebied (in dit plan het graslandreservaat) aan te wijzen als natuur(compensatie)gebied. Dit ten behoeve van vooral de weidevogels waarvan het broed- en foerageergebied door de geplande aanleg van het industrieterrein in de Oostvlietpolder zou verdwijnen.De StAB stelt in haar rapport (StAB/34932/H) op bladzijde 16 hierover het volgende:
"Het Comité Vrienden Oostvlietpolder doet in zijn beroepschrift de suggestie om de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd", zodanig in te richten dat dit een geschikt weidevogelgebied wordt. Ik betwijfel echter of dit gebied die potentie in de toekomst zal kunnen hebben. (...) De keuze voor de aanleg van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder betekent derhalve dat de gehele Oostvlietpolder niet langer geschikt zal zijn als weidevogelgebied".De gemeente Leiden is geen eigenaar van de gronden waar het geplande graslandreservaat moet komen. Deze gronden zijn het eigendom van de initiatiefnemers van de oorspronkelijke geplande baggerstort locatie en een zandwinningbedrijf. Beide partijen hebben destijds bezwaar gemaakt tegen het schrappen van de positieve bestemming van de baggerstort locatie uit het bestemmingsplan van april 1999 en zijn door de Raad van State in augustus 2001 in het gelijk gesteld.
Beide partijen hebben opnieuw bezwaar aangetekend tegen het (ontwerp) bestemmingsplan van augustus 2003 en zullen deze bezwaarprocedure vrijwel zeker tot aan de Raad van State voortzetten. Gelet op de toonzetting van de bezwaren van het zandwinningbedrijf is het niet waarschijnlijk dat dit bedrijf en de gemeente Leiden snel tot overeenstemming zullen komen over de verkoop van gronden voor het graslandreservaat. Vanwege de geplande bestemming van deze gronden behoort onteigening niet tot de mogelijkheden. Het is dus maar zeer de vraag of en zo ja op welke termijn begonnen kan worden met de aanleg van het graslandreservaat.
Ecologische zone
In het door de Raad van State vernietigde bestemmingsplan Oostvlietpolder van april 1999 was een ecologische verbindingszone opgenomen van 100 meter breedte. Deskundigen hebben een dergelijke zone destijds afgewezen omdat volstrekt onduidelijk was welke (natuur)doelen met deze zone gediend zouden zijn. De Raad van State heeft in haar uitspraak van augustus 2001 (no. 200000246/1) deze kritiek overgenomen. Nu wordt een veel smallere ecologische verbindingszone van 30 tot 50 meter breedte voorgesteld, die dwars door het industrieterrein komt te lopen en bovendien op verschillende plaatsen wordt doorsneden door auto(snel)wegen en een bromfietspad. Wij betwijfelen of de in dit plan opgenomen ecologische zone ook daadwerkelijk zal gaan functioneren.Deze kritiek wordt ook door anderen gedeeld, in dit geval zelfs door de gemeente Leiden zelf. De gemeente Leiden schreef in haar 'Commentaar op de inspraakreacties (voor-)ontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder en structuurvisie Oostvlietpolder' van december 1998 op bladzijde 32 en 33:
"In maart 1998 heeft Arcadis Heidemij in opdracht van de gemeente Leiden het rapport 'Natuurdoelen Oostvlietpolder' opgesteld. (...) Bij de inrichting van de groene zone nemen wij het rapport van Arcadis Heidemij voor de polder als uitgangspunt. Uit het rapport blijkt onder meer dat de ecologische zone de vorm moet hebben van een doorlopende, zo breed mogelijke strook. Een breedte van tenminste 100 meter is voor de zone noodzakelijk om de natuurfunctie en de recreatieve functie tot zijn recht te laten komen. Voor de functie als ecologische verbindingszone is een fysieke verbinding met voldoende groene elementen over land en water nodig, via de Vliet met Vlietland, polderpark Cronesteyn en Kagerplassen. (...) Binnen de randvoorwaarden die in het rapport van Arcadis zijn opgesteld, zijn verschillende inrichtingen mogelijk. Wij streven naar een ononderbroken groenzone als natuur- en recreatiegebied, en als recreatieve en ecologische verbinding. Doorsnijdingen van de groene zone achten wij onwenselijk. (...) Plaatselijke versmallingen van de ecologische zone (bijvoorbeeld om bestaande bebouwing of volkstuinen te handhaven) zijn vanuit ecologisch, landschappelijk en recreatief oogpunt ongewenst".Daarnaast wordt in het huidige (ontwerp) bestemmingsplan in de ecologische zone een fietspad aangelegd. Op bladzijde 67 van het ontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder staat hierover het volgende:
"De ecologische verbindingszone zal langs de randen ontsloten worden met een wandelpad dat aansluit op de padenstructuur van de Vlietlanden. (...) Uitgaande van een totale breedte van de zone van 50 m zal een voetpad van 2 m geen effect hebben op de ecologische verbindingsfunctie van de zone. (Brom)fietsers en honden dienen echter geweerd te worden".De gemeente Leiden doet het hier voorkomen alsof zij alles in het werk zal stellen om de geplande ecologische zone te kunnen laten functioneren als migratieroute voor onder meer kleine zoogdieren, amfibieën en libellen (zie bladzijde 66 van het ontwerp bestemmingsplan). Op de kaart 'inrichtingssuggestie graslandreservaat' (figuur 10) wordt het voetpad echter ook aangeduid als fietspad. Ook op bladzijde 71 wordt dit voetpad gewoon een fietspad genoemd. Sterker nog: bij de artikel 19 procedure inzake het verplaatsingsplan volkstuinen heeft de Leidse gemeenteraad al op 18 december 2001 besloten om gemotoriseerd verkeer toe te staan op het fietspad lopende vanaf de Vlietweg dwars door het volkstuincomplex en de ecologische zone naar rijksweg A4!
Drs. F.H.J. Hagedoorn van de Universiteit van Amsterdam (afd. herpetologie) liet ons in het kader van het verplaatsingsplan volkstuinen het volgende weten:
"Amfibieën overwinteren o.a. in/onder opstallen en tuinmateriaal. De verscheidenheid aan voedsel garandeert de opgroei van juvenielen. Dit geldt voor de Gewone pad, Bruine kikker en Kleine watersalamander. De monocultuur van de weilanden zijn voor hen alleen belangrijk in verband met de aldaar aanwezige voortplantingswatertjes. De dekking tegen predatoren is hier ook gering.
In die zin vormen de volkstuinen een belangrijke refugé. Dit geldt niet voor de Groene kikker, die vrijwel het hele jaar afhankelijk is van de watertjes in de weilanden.
Een fietspad dwars door de volkstuinen lijkt me, mede gelet op de rust en privacy van de tuinders, ook geen goede zaak voor de daar voorkomende amfibieën. Alleen al tijdens de paddentrek (twee tot vier nachten per jaar) liggen de Vlietweg, de fietspaden van polderpark Cronesteyn en de Vlietlanden vol met platgereden padden. Een fietspad dwars door de volkstuincomplexen is voor deze dieren nog gevaarlijker als men bedenkt dat daar door deze dieren de rest van het jaar volop gefourageerd wordt. Een openbaar, doorgaand fietspad dat het hele jaar open is, door zo'n kwetsbaar refugé zal een ware slachting opleveren van deze beschermde dieren".In dit kader willen wij ook wijzen op de bijgevoegde correspondentie van de heer Hagedoorn (bijlagen 6 en 7) en een brief van de Werkgroep Monitoring Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, Afdeling Zuid-Holland (RAVON) (zie bijlage 8).
5. Graslandreservaat, tracé A11/N11 en uitbreiding industriegebied
In het (ontwerp) bestemmingsplan Oostvlietpolder zijn de door de gemeente Leiden zelf noodzakelijk geachte infrastructurele voorzieningen ten behoeve van het te ontwikkelen industrieterrein niet opgenomen. Volgens het bestemmingsplan wordt een deel van het industrieterrein zelfs pas ontwikkeld als deze infrastructurele voorzieningen gerealiseerd zijn. Met het oog op deze toekomstige infrastructurele voorzieningen heeft de gemeente er voor gezorgd dat een deel van de polder onbebouwd blijft op de plaats van het verwachte tracé van de toekomstige rijksweg A11/N11 West en de verlengde Churchilllaan. De gemeente Leiden verwacht dat het bestemmingsplan nog gedurende de looptijd (10 jaar) gewijzigd zal worden om de aanleg van één of zelfs beide verbindingswegen tussen de rijkswegen A4 en A44 te realiseren.
Het graslandreservaat is gepland vlak langs een deel van de polder dat onbebouwd moet blijven als reservering voor de toekomstige rijksweg A11/N11 West. Volgens het college van burgemeester en wethouders van Leiden worden vóór de zomer van 2004 de resultaten van een onderzoek naar de voorkeursvariant voor een verbinding tussen de rijkswegen A4 en A44 bekend, waarna gestreefd wordt naar een zo snel mogelijke aanleg van deze verbinding, omdat de aanleg van een deel van het geplande industrieterrein afhankelijk is gemaakt van de ontsluiting via deze verbindingsweg. Twee varianten zijn onderzocht:
1. Het aanleggen van de A11/N11 West door het zuidelijk deel van de Oostvlietpolder, langs het geplande graslandreservaat en door de geplande ecologische zone. Dit is volgens het (ontwerp) bestemmingsplan Oostvlietpolder de voorkeursvariant van de gemeente Leiden.
2. Het doortrekken van de Churchilllaan naar de A4. Deze verlengde Churchilllaan wordt geprojecteerd dwars door de Oostvlietpolder direct langs het in te richten terrein voor de volkstuinders en doorsnijdt de geplande ecologische zone.
Inmiddels is duidelijk geworden dat het goed mogelijk is dat beide auto(snel)wegen worden aangelegd (zie bijlage 9).Als gekozen wordt voor de voorkeursvariant, de A11/N11 West, heeft dat ook volgens de gemeente Leiden zelf ernstige gevolgen voor het aan te leggen graslandreservaat. In het (ontwerp) bestemmingsplan Oostvlietpolder zegt de gemeente Leiden over dergelijke auto(snel)wegen:
"De weidevogels zijn enigszins geconcentreerd in het zuidwestelijk deel van P1, doch houden een afstand van circa 200 meter aan ten opzichte van de A4. Dit is een bekend patroon; weidevogeldichtheden dalen scherp boven een geluidsbelasting van 47 dB(A) (Bron: Reijnen en Foppen, 1992)". Kortom: de eventuele aanleg van A11/N11 is aantoonbaar conflicterend met de bestemming natuur(compensatie)gebied (graslandreservaat).De precieze locatie van het tracé van de A11/N11 is bovendien niet duidelijk. Het bestemmingsplan Oostvlietpolder (20 januari 2004) gaat op bladzijde 53 (6.1.1. inrichtingsmodel) uit van een reservering langs het graslandreservaat:
"Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het bestemmingsplan Oostvlietpolder 1998, de uitkomsten van het inmiddels uitgevoerde natuurwaardenonderzoek, de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet op 1 april 2002 en het definitieve uitblijven van een baggerdepot, is de inrichting van de Oostvlietpolder opnieuw bezien (Notitie inrichtingsalternatieven Oostvlietpolder, RBOI 3 juli 2002). Om te komen tot een inrichtingsalternatief dat voldoende recht doet aan alle belangen, is een aantal inrichtingsmodellen opgesteld en onderling afgewogen. Bij het opstellen van deze modellen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: (...) het vrijhouden van een strook langs de westrand van het plangebied ten behoeve van een eventuele A11/N11.Bij de keuze voor het inrichtingsmodel hebben de volgende overwegingen een doorslaggevende rol gespeeld: (...) 2. de aantasting van het weidevogelgebied dient zo gering mogelijk te zijn; de Flora- en faunawet vereist ook een dergelijke optimalisatie van de inrichting; een geringe aantasting van het weidevogelbiotoop leidt bovendien tot een relatief geringe natuurcompensatietaakstelling die in korte tijd binnen het plangebied kan worden ingevuld; 3. compensatie dient zodanig te gebeuren dat een nieuw hoogwaardig weidevogelgebied ontstaat op een locatie die duurzaam in stand gehouden kan worden".
Het tracé langs het graslandreservaat is in het bestemmingsplan op bladzijde 46 ingetekend in figuur 7, hoofdontsluiting Oostvlietpolder (zie bijlage 10).
Echter, in het verslag van de openbare vergadering van de raadscommissie voor Ruimte en Groen, gehouden op 15 januari 2004 in het Stadhuis te Leiden is een discussie tussen gemeenteraadslid J.J. de Haan (CDA) en wethouder A. Geertsema (economische zaken, grondzaken, toerisme en veiligheid) als volgt genotuleerd:
"De heer Geertsema geeft aan dat de bestemming van onder meer het tracé ten behoeve van de N11-west juist nog niét is vastgelegd".Het recentere gemeentelijke verkeers- en vervoersplan (GVVP) van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden reserveert een tracé midden door het graslandreservaat (zie bijlage 11). Dit verkeers- en vervoersplan is ongeveer twee weken na het vaststellen van het bestemmingsplan Oostvlietpolder gepresenteerd. De gemeente geeft hier dus gewoon onvolledige/onjuiste informatie aan Laser. Een tracé dwars door het in het bestemmingsplan vastgestelde graslandreservaat betekent in ieder geval het einde van de voorkomende beschermde weidevogels (Rode Lijst) in de Oostvlietpolder.
In de aanvraag van de ontheffing, ingevolge artikel 75, vierde lid of vijfde lid onderdeel c, of artikel 75a, Flora- en faunawet, (ontheffing voor ruimtelijke ingrepen) is een mogelijk tracé van de auto(snel)weg A11/N11 dwars door het graslandreservaat (natuurcompensatiegebied) door de gemeente Leiden niet vermeld. De instandhouding van de aanwezige flora en fauna en het functioneren van het graslandreservaat kunnen door het ontbreken van deze informatie in de aanvraag niet zijn/worden beoordeeld. De geldende Flora- en faunawet stelt in artikel 80 lid d en e:
Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken indien:
d. de gegevens op grond waarvan de vergunning of ontheffing is verleend zodanig onjuist blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen of
e. de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zouden zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop zij zijn verleend zouden hebben bestaan.Wij menen dat als een ontheffing ingevolge artikel 75, vierde lid of vijfde lid onderdeel c, of artikel 75a, Flora- en faunawet, (ontheffing voor ruimtelijke ingrepen) is/wordt verleend, artikel 80 overduidelijk van toepassing is.
Bovendien houdt de gemeente Leiden de mogelijkheid open om het geplande bedrijventerrein uit te breiden in zuidwestelijke richting, dat wil zeggen tussen het geplande graslandreservaat en de rijksweg A4. Het (ontwerp) bestemmingsplan Oostvlietpolder vermeldt hierover op bladzijde 55:
"De zuidwesthoek is in de huidige situatie zeer geschikt als compensatielocatie; op de langere termijn kan deze oplossing echter niet als "duurzaam" worden aangemerkt, en wel om twee redenen:
3. de aansluiting van de mogelijke A11/N11 zal in deze hoek leiden tot een aanzienlijk verlies aan graslandareaal en een sterk toenemende verstoring door verkeerslawaai en licht; in deze hoek is op lange termijn derhalve geen duurzaam natuurbehoud mogelijk;
4. de zuidwesthoek is - zeker bij realisatie van de A11/N11 - een potentiële uitbreidingslocatie van het bedrijvenpark, waar, gelet op de grote (lokale en regionale) behoefte aan bedrijventerrein, sprake zal zijn van een aanzienlijke verstedelijkingsdruk".Ook het Streekplan Zuid-Holland West van 19 februari 2003 stelt geen duidelijke grenzen aan het industriegebied. In het streekplan is de gehele Oostvlietpolder binnen de rode contour geplaatst waardoor in het gehele gebied stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan.
Kortom: zowel het aanleggen van de A11/N11 West als het uitbreiden van het industrieterrein in de richting van het graslandreservaat, hebben tot gevolg dat dit reservaat niet als natuur(compensatie)gebied zal kunnen functioneren. De instandhouding en het voortbestaan van de beschermde weidevogels (rode lijst) en overige voorkomende flora en fauna in de Oostvlietpolder is dus verre van gewaarborgd. In dit kader willen wij hier nogmaals wijzen op het rapport van de StAB (StAB/34932/H): "De keuze voor de aanleg van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder betekent dat de gehele Oostvlietpolder niet langer geschikt zal zijn als weidevogelgebied".
6. Onderbouwing van de keuze voor de geplande locatie
De door de gemeente Leiden genoemde bladzijden 11 t/m 19 van het ontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder bevatten niet de door Laser verzochte onderbouwing van de keuze voor de geplande locatie evenmin als een onderzoek naar alternatieve locaties. Hier wordt door de gemeente slechts het beleidskader geschetst. Enkele voorbeelden:
- In het bestemmingsplan wordt op bladzijde 12 onder 'Beleidskader' de motie Verbugt en Van Wijmen geciteerd. Deze motie is echter niet aangenomen/vastgesteld.
- Bij de behandeling en vaststelling van het Streekplan Zuid-Holland West door Provinciale Staten op 19 februari 2003 is door de PvdA een amendement ingediend. Dit amendement is met een meerderheid van stemmen aangenomen en daarom ook opgenomen in het streekplan op bladzijde 68: "Voordat de uitwerking ter hand wordt genomen, worden in een convenant tussen gemeente, provincie, Rijk en zo mogelijk andere betrokkenen concrete afspraken gemaakt over de ontsluiting en inrichting van dit gebied". Dit amendement is tijdens de (ontwerp) bestemmingsplan procedure niet uitgevoerd hetgeen door wethouder Hillebrand tijdens de informatieavond voor de Vlietweg-bewoners op 28 augustus 2003 is bevestigd.
- In het ontwerp Streekplan Zuid-Holland West was een 'concrete beleidsbeslissing' (no. 4) opgenomen om in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein van tenminste 40 ha te realiseren (zie bladzijde 64, paragraaf 5.1). In het op 19 februari 2003 door Provinciale Staten vastgestelde Streekplan is deze 'concrete beleidsbeslissing' omgezet in (slechts) 'een kernpunt' (K.60, zie bladzijde 97). Hiermee geeft de provincie Zuid-Holland volgens ons aan minder prioriteit toe te kennen aan de ontwikkeling van een industrieterrein in de Oostvlietpolder.Ondanks deze gemeentelijke 'analyse van het beleidskader' op bladzijde 19 van het ontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder menen wij dit bestemmingsplan met name te moeten toetsen aan het op dit moment vastgestelde Rijksbeleid. In dat vastgestelde Rijksbeleid behoort de Oostvlietpolder tot de Rijksbufferzone. Er is er geen uitzondering ten behoeve van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder opgenomen in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac.
Deze strijdigheid met het Rijksbeleid is bevestigd door de Raad van State: De Raad van State heeft op 29 augustus 2001 het opnemen van dit bedrijventerrein in het bestemmingsplan Oostvlietpolder (april 1999) van de gemeente Leiden in strijd geoordeeld met hogere regelgeving (no. 200000246/1). De overwegingen van de Raad van State kwamen samengevat op het volgende neer: In zowel de PKB NRB behorende bij de Vinex als de PKB NRB behorende bij de Vinac is het gebied tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer aangewezen als bufferzone. In deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg uitsluitend goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijventerrein in de Oostvlietpolder, waarbij onder meer als voorwaarde is opgenomen dat de rest van de Oostvlietpolder binnen de bufferzone blijft en een groene inpassing krijgt. De uitzondering op het bufferzonebeleid ten behoeve van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder is niet in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac opgenomen. De gemeente Leiden heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom hieraan voorbij gegaan kan worden.
In het kader van de aanvraag wordt de door Laser verzochte onderbouwing van de keuze voor de geplande locatie alsmede een onderzoek naar alternatieven door de gemeente Leiden hier niet beantwoord.
Volgende pagina