16 juli 2001:

Europese Richtlijn storten
van afvalstoffen van kracht

De Raad van de Europese Unie heeft op 16 juli 1999 de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen vastgesteld. Hierin worden op milieugebied allerlei randvoorwaarden gesteld waaraan afvalstortplaatsen dienen te voldoen. De lidstaten, waaronder Nederland, kregen vervolgens twee jaar de tijd deze richtlijn in hun regelgeving te implementeren. In praktijk betekent dit dat de richtlijn op 16 juli 2001 in werking is getreden.

Het Advies- en Kenniscentrum Waterbodems -AKWA- (onderdeel van Rijkwaterstaat) meldt inzake deze richtlijn in haar nieuwsbrief van augustus 2000:
"In de nieuwe EU richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen worden diverse voorwaarden gesteld aan de inrichting van afvalstortplaatsen en daarmee ook aan baggerspeciestortlocaties. De voorwaarden in de richtlijn zijn met name gericht op het voorkomen van doordringing van stoffen uit de stortlocatie naar het grondwater. In de praktijk zou het dan om metersdikke isolerende kleilagen, kunstoffolies, precipitatielagen of actieve koollagen kunnen gaan, die hoge kosten met zich meebrengen. Tevens wordt gesteld dat maatregelen genomen moeten worden om methaanvorming door afbraak van organisch materiaal zoveel mogelijk te voorkomen".

Echter, zoals de plannen van Baggerdepot Zuid-Holland B.V. (BZH) en het Hoogheemraadschap Rijnland nu liggen, zal de eventueel te realiseren baggerstortplaats Oostvlietpolder niet volgens de EU richtlijn (en dus in strijd met de richtlijn) worden aangelegd.

Het Comité Vrienden Oostvlietpolder heeft in het verleden herhaaldelijk op deze EU richtlijn gewezen en stelt, zeker nu de richtlijn daadwerkelijk in werking is getreden, dat de eventueel aan te leggen baggerstortplaats in de Oostvlietpolder aan deze EU richtlijn zal moeten voldoen. Eén van de vele redenen voor het Comité om onlangs bezwaar aan te tekenen tegen de ontwerpbeschikkingen Ontgrondingenwet, Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren en de Wet Milieubeheer.

De BZH en het Hoogheemraadschap Rijnland zien de nieuwe richtlijn vooralsnog als 'niet van toepassing' op de Oostvlietpolder zoals recentelijk bleek uit de beantwoording van de door het Comité ingebrachte bezwaren op het Milieu Effect Rapport (MER). Vanuit de initiatiefnemers bezien is deze opstelling begrijpelijk: Het aanleggen van de stortplaats in de Oostvlietpolder volgens de EU richtlijn betekent immers een aanzienlijke extra kostenpost. Bovendien rijst dan de vraag of de baggerstortplaats Oostvlietpolder in dat geval nog goedkoper is ten opzichte van het huidige storten in de Slufter hetgeen de BZH en het Hoogheemraadschap Rijnland al die tijd als belangrijk nadeel van storten in de Slufter hebben aangevoerd.