Inspraakreactie/bezwaarschrift voorontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder

 

Leiden, 25 februari 2003.

Aan:
Burgemeester en Wethouders gemeente Leiden
Postbus 9100
2300 PC Leiden

Betreft:
inspraakreactie/bezwaarschrift voorontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder

 

Geacht College,

Het voorontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder: basis voor de toekomstige inrichting van de allerlaatste agrarische polder op Leids grondgebied. Vervaardigd voor onze toekomst, ons geluk en welzijn en dat van onze kinderen.

Vele bewoners uit Leiden vinden de Oostvlietpolder uiterst waardevol omdat zij hier nog één van de weinige mogelijkheden hebben om op loop- en fietsafstand iets van het buitenleven te ervaren: hun volkstuinhobby op een landelijke locatie te bedrijven, te fietsen langs het open landschap, te wandelen of skeeleren over de Vlietweg. Kortom, naast de agrarische functie draagt de Oostvlietpolder bij aan het welzijn van mensen die de hele week hebben gewerkt of genieten van hun oude dag.

Maar volgens de plannenmakers een bestemming die blijkbaar niet meer past bij onze huidige behoeften. Want het voorontwerp bestemmingsplan omvat de aanleg van een bedrijventerrein van tenminste 40 hectare. Toch wordt er (volgens de gemeente) nadrukkelijk rekening gehouden met de ecologische en recreatieve waarden van het gebied en is het bedrijventerrein landschappelijk goed ingepast in de waardevolle polder.

Niets is echter minder waar: alle 'groene plannen' en voornemens ten spijt, wanneer dit voorontwerp bestemmingsplan werkelijkheid wordt, zal dit uiteindelijk voor mens en dier het einde van de huidige agrarische Oostvlietpolder betekenen en zullen natuur en milieu voor de zoveelste maal ondergeschikt gemaakt worden aan veronderstelde economische behoeften.

Daarom wil de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder hierbij haar inspraakreactie/bezwaarschrift indienen inzake het voorontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder d.d. 8 januari 2003. Gelet op de inhoud van dit bezwaarschrift en de door de Vereniging in het verleden ingediende bedenkingen en overwegingen, verzoeken wij u dringend uw plannen met de Oostvlietpolder te heroverwegen en deze allerlaatste waardevolle agrarische polder op Leids grondgebied te behouden.

Ons belangrijkste bezwaar blijft de vestiging van een volgens ons ongewenst en overbodig bedrijventerrrein in de Oostvlietpolder (zie paragrafen 1 en 2). Als er al een bedrijventerrein moet komen, dan met duidelijke en gewaarborgde grenzen, een in dit plan aangegeven oplossing voor de bereikbaarheidsproblemen en volledig rekening houdend met de overige bestemmingen.

1. Een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder

Strijdigheid met hogere regelgeving / uitspraak Raad van State
Het voorontwerp bestemmingsplan formuleert op bladzijde 49, paragraaf 6.1 bij het opstellen van het inrichtingsmodel het volgende uitgangspunt: "Een bedrijventerrein van 40 ha netto, overeenkomend met circa 55 à 60 ha bruto". Dit uitgangspunt en de voorgestane inrichting zijn echter strijdig met deel 4 van de PKB Vinac. Deze strijdigheid is bevestigd door de Raad van State: De Raad van State heeft op 29 augustus 2001 het opnemen van dit bedrijventerrein in het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden in strijd geoordeeld met hogere regelgeving.

De overwegingen van de Raad van State kwamen samengevat op het volgende neer: In zowel de PKB NRB behorende bij de Vinex als de PKB NRB behorende bij de Vinac is het gebied tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer aangewezen als bufferzone. In deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder, waarbij onder meer als voorwaarde is opgenomen dat de rest van de Oostvlietpolder binnen de bufferzone blijft en een groene inpassing krijgt. De uitzondering op het bufferzonebeleid ten behoeve van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder is niet in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac opgenomen. Omdat de PKB voor het voorontwerp bestemmingsplan geldt als hogere regelgeving en er sinds de uitspraak van de Raad van State geen wijziging in deze regelgeving heeft plaatsgevonden, blijft het voorgestelde bedrijventerrein in strijd met hogere regelgeving.

Hieraan willen wij het volgende toevoegen: Deel 4 van de Vinac is de herziening van deel 3, hetgeen betekent, dat deel 3 komt te vervallen. Toetsingskader is dus de concrete beleidsbeslissing in deel 4, deze moet in acht genomen worden. De goedkeuring in het bestuurlijk overleg van een bedrijventerrein van 40 hectare is geen concrete beleidsbeslissing, het kan hooguit juridisch worden gezien als convenant. De eerste vraag is, of een convenant dat is gesloten in het kader van Vinac deel 3 überhaupt nog geldig is na de herziening ervan. Ten tweede werkt een convenant (een civielrechtelijk contract of schikking tussen partijen) alleen tussen de partijen en is niet het wettelijke toetsingskader voor streek- en bestemmingsplannen, vooral niet als er iets in wordt geregeld dat in strijd is met de wet. Het kan zeker geen invulling aan de concrete beleidsbeslissing "Rijksbufferzone" geven en wat nog sterker is, het is in strijd met deze concrete beleidsbeslissing.

Omdat de 5e Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is vastgesteld en de inmiddels demissionaire regering vorig jaar heeft aangekondigd deze Nota op een aantal onderdelen te zullen gaan wijzigen, is er bovendien geen sprake van een concrete wijziging in de regelgeving waarop in het voorontwerp bestemmingsplan alvast vooruit gelopen kan worden.

Voorts wordt in strijd met hogere regelgeving het bedrijventerrein wel degelijk een zichtlocatie. De beschreven hoogteverschillen ter voorkoming van het ontstaan van een zichtlocatie zijn niet op de plankaart overgenomen. Volgens de beschrijving van het bedrijventerrein is sprake van bebouwing van maximaal 24 meter met de mogelijkheid om deze tot 30 meter uit te breiden. Met dergelijke hoogten kan niet anders dan dat er sprake is van een zichtlocatie, aangezien de hoogte van volwassen bomen (en het duurt jaren voordat die er staan) nog niet tot de helft van deze bouwhoogte reiken.

Het Rijksbufferzonebeleid
De Oostvlietpolder is een onderdeel van de bufferzone / het regionale park* tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer (zie de PKB NRB bij de Vinex en de Vinac). Als een bedrijventerrein hier al in zou passen, dan zeker niet een bedrijventerrein met ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (met name de categorieën 4.1 en 4.2), zoals nu in het voorontwerp bestemmingsplan wordt voorgesteld.

* Een regionaal park is een herkenbare landschappelijke eenheid van niet-verstedelijkt gebied, aansluitend op de steden in een stedelijk netwerk. Regionale parken zijn bedoeld om de mogelijkheden van dagrecreatie voor de bewoners van stedelijke netwerken te vergroten en te verbeteren. In regionale parken is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie niet toegestaan. Uit: Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, deel 3 kabinetsstandpunt, pagina 86 (vergaderjaar 2001-2002).

Door het situeren van het bedrijventerrein in de richting van de Vlietweg en de aanleg van een deel van het bedrijventerrein tussen de Europaweg en de Vrouwenweg is er geen sprake meer van een groene verbindingszone tussen de Vlietlanden en polderpark Cronesteyn, wat een uitdrukkelijke voorwaarde voor de aanleg van het bedrijventerrein was van zowel de gemeente Leiden als de Provincie Zuid-Holland (zie onder andere het ontwerpstreekplan Zuid Holland West).

Aan de Oostvlietpolder worden ook in het ontwerpstreekplan Zuid-Holland West verschillende functies toegekend die thuishoren in een bufferzone / regionaal park, zoals dagrecreatie en een groene, ecologische verbinding tussen de aangrenzende groenblauwe gebieden. Met die functies is de aanleg van een bedrijventerrein van tenminste 40 hectare moeilijk te rijmen. Het bedrijventerrein vormt een vanuit planologisch oogpunt gekunsteld aandoende uitstulping in en onderbreking van de aaneenschakeling van groenblauwe gebieden aan de oostzijde van de gemeenten Leiden, Voorschoten en Leidschendam.

Bovendien, het rijksbufferzonebeleid is opgesteld om het aaneengroeien van steden tegen te gaan en open groene ruimten en de leefbaarheid rondom steden nu en in de toekomst te behouden. Welk een zin heeft het gebieden eerst als rijksbufferzone aan te wijzen om vervolgens een aantal jaren later deze gebieden alsnog te bebouwen omdat veronderstelde economische behoeften zwaarder wegen?

Gevolg: deze generatie bebouwt de Oostvlietpolder om de gewenste economische groei in deze regio te kunnen realiseren. De volgende generatie(s) heeft/hebben straks ongetwijfeld ook dergelijke behoeften en bouwen vast en zeker de overige polders in de Randstad vol. En dan? Als die open ruimten dan ook zijn volgebouwd? Steunen wij dit rijksbufferzonebeleid om het polderlandschap nabij de steden open te houden of vinden wij het inmiddels onzin en laten wij toekomstige generaties geen keuze? Telt voor elke m2 poldergrond alléén het financiële gewin of mogen toekomstige stedelingen in de Randstad ook nog tot rust komen en genieten van koeien, schapen en een polderlandschap nabij hun stad? Kortom, denken wij ook nog aan ons welzijn in plaats van alleen aan de welvaart?!

2. De noodzaak van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder

De gemeente Leiden stelt dat er een tekort is aan bedrijventerreinen in de Leidse regio en dat dit een bedreiging vormt voor de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in de regio. De feiten weerspreken dit echter.

Zo lezen wij in het Leidsch Dagblad van donderdag 21 november 2002 (zie bijlage 1): "De Leidse regio en de Bollenstreek kennen de sterkste economische groei van Zuid-Holland. Ook vergeleken met de rest van Nederland boert de streek zeer goed. () De gunstige cijfers voor de Leidse agglomeratie lijken haaks te staan op de oproep van het regionale bedrijfsleven aan gemeentebesturen: geef ons ruimte, want het gaat niet goed met de economie". De krant baseert zich op onafhankelijk en deskundig onderzoek, namelijk het rapport "Cijfers en Trends Zuid-Holland" van de RABO-bank. Uit dit onderzoek valt te concluderen dat het minder droevig is gesteld met de economie in de Leidse regio en de Bollenstreek dan dat de plannenmakers ons willen doen geloven. Het lijkt wel of er een fictief probleem moet worden opgelost.

Bovendien zijn de plannen voor de Oostvlietpolder gemaakt ten tijde van de economische hausse. Inmiddels zijn de economische groeicijfers in neerwaartse zin bijgesteld. Een en ander weerspiegelt zich in een toename van leegstand van kantoor- en bedrijfsruimten niet alleen in Zuid-Holland maar ook in de rest van Nederland. Graag willen wij u hierbij wijzen op een artikel uit de Volkskrant van 15 november 2002 (zie bijlage 2): "In Nederland staat mede als gevolg van de economische malaise vier miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg, ruim 10 procent van het totale kantooroppervlak. Dit is anderhalf keer zo veel als tijdens de vorige kantorendip, begin jaren negentig. Volgens bank/verzekeraar ING is het 'zeer de vraag' of de kantoren ooit nog vol komen". Ook in de Leidse regio wordt de toename van leegstaande ruimten steeds duidelijker (zie bijlage 9).

Het Leidsch Dagblad van 4 oktober 2002 meldt dat volgens burgemeester en wethouders van Oegstgeest de behoefte aan kantoorgebouwen en bedrijven in de Leidse Regio minder groot is dan aanvankelijk werd gedacht (zie bijlage 3). Het oorspronkelijke plan voor de bouw van kantoren en bedrijven op het bedrijventerrein Rijnfront (in omvang vergelijkbaar met de Oostvlietpolder) is daarom inmiddels verlaten. Volgens de gemeente Oegstgeest moet er nu naast woningbouw op Rijnfront een groot groengebied worden aangelegd.

Een dergelijk bericht is (opnieuw) een bevestiging van onze mening dat de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen in de Leidse Regio sterk wordt overtrokken. Er kan nu blijkbaar zomaar van de aanleg van 30 hectare nieuw bedrijventerrein worden afgezien!!! Als we de Leidse regio als één geheel beschouwen komt dit bericht uiterst merkwaardig voor: op Rijnfront in plaats van een bedrijventerrein een nieuw groengebied aanleggen terwijl in de Oostvlietpolder een natuurgebied (met inmiddels overduidelijk bewezen natuurwaarden, zoals Rode Lijst diersoorten) moet wijken voor een bedrijventerrein!!

Voorts lezen wij in het Leidsch Dagblad van 1 februari 2003 dat er voor het MEOB-terrein (15 hectare!) inmiddels alternatieve plannen worden ontwikkeld, namelijk de ontwikkeling van een gevangenis. De gemeente Oegstgeest staat volgens dit artikel positief tegenover deze plannen (zie bijlage 10).

Al deze feiten tonen volgens ons duidelijk aan dat er minder vraag is naar nieuwe bedrijventerreinen dan telkens wordt gesuggereerd. Uit de verschillende inventarisaties blijkt dat er nu en in de toekomst bovendien voldoende aanbod van bedrijventerreinen is in de Leidse regio. Zoveel aanbod, dat het blijkbaar niet noodzakelijk is om bedrijventerreinen op Rijnfront en MEOB te ontwikkelen en in ieder geval voldoende aanbod om nadrukkelijker rekening te houden met de andere ruimtelijke behoeften in de regio, vooral de behoefte aan meer ruimte voor de natuur en voor recreatie. Opvallend hierbij is dat de gemeente Leiden en de Kamer van Koophandel Rijnland geen woord van protest laten horen wanneer er zo maar 45 hectare potentieel regionaal bedrijventerrein aan het totale aanbod wordt onttrokken, terwijl bij de promotie van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder nadrukkelijk de publiciteit wordt gezocht om een vermeend tekort aan bedrijventerreinen onder de aandacht te brengen! Deze verschillende opstellingen zijn niet met elkaar te rijmen.

Ook willen wij wijzen op de website van de Kamer van Koophandel Rijnland en wel de pagina 'Ondernemer en regio': "De regio Rijnland telt 24 gemeenten rondom de drie centrumgemeenten Katwijk, Leiden en Alphen aan den Rijn. In de Duin- en Bollenstreek, de Leidse regio en de Rijnstreek rondom Alphen samen staan 40.000 bedrijven ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er werken ruim 150.000 personen in het gebied. De bedrijvigheid is zeer divers van aard en de jaarlijkse ERBO-enquête (Enquête Regionale BedrijfsOntwikkeling) toont telkens weer aan dat dit gebied bovengemiddeld scoort voor wat betreft omzet, werkgelegenheid en rendementsontwikkeling". Dit alles is al jaren mogelijk zonder de Oostvlietpolder!

Echter volgens de gemeente Leiden is er geen andere mogelijkheid: het bedrijventerrein Oostvlietpolder is absoluut noodzakelijk om 'schuifruimte' te creëren om zo de herstructurering van bestaande Leidse bedrijfsterreinen mogelijk te maken en de werkgelegenheid te waarborgen. Daarbij gaat Leiden voorbij aan de eigen opvatting dat het aanleggen van bedrijventerreinen niet langer een gemeentelijke maar een regionale aangelegenheid is. Als gemeenten elkaar 'schuifruimte' (aan)bieden en ook daadwerkelijk gezamenlijk bedrijventerreinen ontwikkelen wordt het mogelijk om dergelijke waardevolle (natuur)gebieden als de Oostvlietpolder te behouden. En volgens openbare gegevens is er in de Leidse regio sprake van een groter aanbod en een kleinere vraag dan gemeente Leiden telkens aangeeft (zie bijlage 4).

De gemeente Leiden (en ook de provincie Zuid-Holland) onderbouwen de enorme behoefte aan bedrijventerreinen met het onderzoeksrapport 'Quick Scan behoefteraming bedrijventerreinen Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek' van het NEI uit Rotterdam. (De resultaten van de rekenexercitie van het NEI zijn ook te lezen op de website van de gemeente Leiden.) De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder bestudeerde dit rapport en kwam tot de ontdekking dat hieruit ook heel andere conclusies te trekken zijn.

Allereerst enkele kerngegevens uit het rapport die de gemeente Leiden graag citeert:
- De bestaande voorraad bedrijventerrein in de regio bedraagt 586 hectare.
- De berekende vraag naar extra bedrijventerrein in de eerstkomende 20 jaar bedraagt 330 hectare (56% groei).
- Het geplande extra aanbod in de komende 20 jaar bedraagt 195 hectare wanneer de Oostvlietpolder wordt meegerekend en 155 hectare wanneer de Oostvlietpolder niet wordt meegerekend.
- Ergo: een tekort van 135 ­ 175 hectare.

Vervolgens informatie die de gemeente liever niet noemt:
- De NEI houdt bij haar behoefteraming een flinke slag om de arm. De ondergrens van de extra vraag wordt ingeschat op 140 hectare (24% groei), de bovengrens op 400 hectare (68% groei, tabel 2 van het rapport). De grote onzekerheidsmarge houdt rechtstreeks verband met de onzekerheid van economische ontwikkelingen.
- De behoefteramingen zijn gebaseerd op gegevens die in 2000 en 2001 verzameld zijn, tijdens de top van de economische groei. Iedereen die de krant leest weet dat deze groeicijfers in neerwaartse zin bijgesteld moeten worden, dus ook de behoefteraming van 330 hectare.
- Uit cijfers van NVM Vastgoed (zie bijlage 11) blijkt dat het aanbod van bedrijfsruimten in 2002 bijna verdubbeld is ten opzicht van de voorgaande jaren. In 1999 was het NVM-aanbod 5,2 miljoen m2 vrij verhuurbaar oppervlak (VVO), in 2000 4,0 miljoen, in 2001 4,8 miljoen en in 2002 8,5 miljoen! Hieruit blijkt duidelijk dat door tegenvallende economische ontwikkelingen de leegstand oploopt. Dit zal uiteraard ook negatieve gevolgen hebben voor de economische uitvoerbaarheid van het huidige voorontwerp bestemmingsplan
- Een gezaghebbend instituut als het Centraal Planbureau komt voor de regio Leiden en Bollenstreek tot aanmerkelijk lagere voorspellingen voor de vraag naar extra bedrijventerreinen in de periode 1998-2020. In het meest optimistische scenario (Global competition, jaarlijkse groei Bruto Binnenlands Product 3,3 %) wordt een vraag voorspeld van 170 hectare, in het meest pessimistische scenario (Divided Europe, jaarlijkse groei BBP 1,3-1,7%) een vraag van 60 hectare en in het middenscenario (European Coordination, jaarlijkse groei BBP 2,5-2,8 %) een vraag van 120 hectare. Dit is na te lezen in "Werkdocument no 112, Bedrijfslocatiemonitor regionale verkenningen 2010-2020: in gesprek met de regio's", CPB, september 1999.
- De historische gronduitgifte bedroeg in de afgelopen 10 jaar 9,6 hectare per jaar. Met deze volgens de gemeente en provincie veel te lage gronduitgifte was de regio in staat betere economische prestaties te leveren dan de rest van Nederland en de rest van Zuid-Holland. (Bronnen: de jaarlijkse ERBO-enquêtes van de Kamer van Koophandel Rijnland en het rapport 'Cijfers en Trends Zuid-Holland' van de RABO-bank).
- In het NEI-rapport is de uitbreidingscapaciteit van particulieren (ontwikkelaars en bedrijven) weggelaten! Wij konden zelf 20 hectare extra aanbod traceren. Dit getal kan nog hoger uitvallen.
- In het NEI-rapport is nauwelijks rekening gehouden met extra ruimte die gewonnen kan worden door bedrijventerreinen te herstructureren (indikken en verdichten). De provincie heeft in het ontwerpstreekplan Zuid Holland West aan de regio de opdracht gegeven om minimaal 10% ruimtewinst te boeken door herstructurering, d.w.z. 10% van 586 hectare is 58 hectare. Hiervan is in het NEI-rapport maar 5 hectare terug te vinden. Er kan dus nog 53 hectare gevonden worden door herstructurering.

Onze conclusie luidt dan ook dat de behoefteraming van 330 hectare sterk overschat is en dat een behoefte van 192 hectare op basis van historische groeicijfers reëeler is, misschien zelfs aan de hoge kant. Daarnaast is het aanbod uit het NEI-rapport te laag ingeschat. Dit bedraagt zonder de Oostvlietpolder geen 155 hectare maar 229 hectare (zie bijlage 4). Een overschot van 37 hectare! De cijfers die de gemeente en provincie aan burgers tonen zijn derhalve onjuist.

Bovendien heeft de provincie Zuid-Holland het voornemen om op Vliegveld Valkenburg naast woningbouw (8250 woningen) ook nog eens 50 hectare bedrijventerrein te ontwikkelen; 10 ha meer dan in de Oostvlietpolder!

Daarnaast wordt in het NEI-rapport (evenals het voorontwerp bestemmingsplan Oostvlietpolder) volledig voorbij gegaan aan het feit dat er niet alleen behoefte is aan ruimte voor bedrijven, maar ook aan ruimte voor natuur en recreatie. Ruimte is een schaars goed in onze regio! Waarom zouden bedrijven onbeperkt mogen groeien ten koste van de natuur en de leefbaarheid van onze leefomgeving?

Het argument dat het nu reeds nodig is om bedrijventerreinen aan te leggen met het oog op een mogelijk in de toekomst weer stijgende vraag is niet steekhoudend. Net als de vraag naar bedrijfsruimte groeit ook de vraag naar ruimte voor de natuur en het milieu. Het is juist van belang om in de omgeving van stedelijke gebieden rekening te houden met de grote en alsmaar groeiende vraag naar groene ruimte. De behoefte aan bedrijventerreinen wordt telkenmale met onderzoeken en cijfers onderbouwd; de behoefte aan dergelijke open (natuur)gebieden als de Oostvlietpolder is daarentegen niet onderzocht en met cijfers onderbouwd. Is dit een juiste (objectieve) basis voor goede, weloverwogen besluitvorming?

3. De omvang en bereikbaarheid van een bedrijventerrein Oostvlietpolder

Omvang bedrijventerrein
Tijdens de bezwaarprocedures tegen het vorige bestemmingsplan Oostvlietpolder van de gemeente Leiden is voortdurend de onduidelijkheid aan de orde geweest met betrekking tot de toegestane omvang van het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder.

De maximale omvang van het bedrijventerrein wordt ook in het voorontwerp bestemmingsplan (zie onder meer bladzijde 49) weer open gelaten. Met 40 hectare netto en 55-60 hectare bruto wordt geen recht gedaan aan de eis van een compact bedrijventerrein. In het vorige bestemmingsplan (april 1999) werd 40 hectare netto vertaald in 59 hectare bruto. Deze vertaling werd door de Raad van State in augustus 2001 afgewezen, omdat niet aannemelijk was gemaakt waarom 59 hectare bruto nodig is om een bedrijventerrein van 40 hectare netto te verwezenlijken. Bovendien is in het bestuurlijk overleg in het kader van de Vinac deel 3 alleen toestemming gegeven voor een bedrijventerrein van 40 ha bruto!

Ten onrechte wordt bovendien de mogelijkheid open gelaten het bedrijventerrein in zuidelijke richting uit te breiden na de aanleg van de A11/N11 (zie bladzijde 51). Door het open houden van de mogelijkheid het bedrijventerrein uit te breiden nadat de A11/N11 is aangelegd wordt in strijd met de uitspraak van de Raad van State en dus ook in strijd met het rijksbeleid gehandeld. De Raad van State heeft in haar uitspraak opgemerkt dat "(...) het (bedrijven)terrein zoveel mogelijk compact moet worden aangelegd, waarna het geheel dient te worden ingepast in het groen. Dit om verspreiding van bebouwing zoveel mogelijk te voorkomen opdat geen verder ruimtebeslag voor verstedelijking plaatsvindt." en "Voorts is in strijd met bestuurlijke afspraken in het plan het maximaal aantal hectare netto uitgeefbaar terrein niet vastgelegd."

Daarnaast ontbreekt de vereiste groene inpassing (opnieuw) aan de zijde van recreatiegebied De Vlietlanden en aan de zijde van de volkstuinen. De Raad van State heeft in haar uitspraak van augustus 2001 de bezwaren op dit punt tegen het vorige bestemmingsplan (april 1999) toegewezen.

Volgens de brief van de minister van VROM van 16 april 1998 zou na het afronden van een studie naar onder andere de plaats van het aan te leggen bedrijventerrein in de Oostvlietpolder de grens van de bufferzone Leiden-Zoetermeer-Den Haag zo getrokken worden dat het bedrijventerrein er buiten valt. In het voorontwerp bestemmingsplan is niets terug te vinden van enige harde begrenzing van het bedrijventerrein. Sterker nog, alle opties voor een latere uitbreiding van het bedrijventerrein na de eventuele aanleg van de A11/N11 worden open gelaten. Nu al rekening houden met een toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein is uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening en rechtszekerheid voor de resterende agrarische bedrijvigheid ongewenst.

Bereikbaarheid bedrijventerrein
Na bestudering van het voorontwerp bestemmingsplan concludeert de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder dat het bedrijventerrein zal leiden tot langere files op de Lammerschansweg, de Churchilllaan, de Europaweg en de Voorschoterweg. Met haar plannen schaadt de gemeente niet alleen de belangen van omwonenden, maar ook van alle Leidse burgers die nu vanaf de A4 Leiden proberen te bereiken en vice versa.

Onze conclusie wordt op bladzijde 43 door de gemeente deels bevestigd: "De Europaweg vormt de zuidelijke toegang van de stad vanaf de A4 en is tevens onderdeel van de N206, de regionale verbinding tussen de A4 en de A44 door Leiden-Zuid. Daarnaast zal de Europaweg het interne verkeer te verwerken krijgen van het te ontwikkelen bedrijvenpark Oostvlietpolder. De nu al zwaar belaste Europaweg kan de combinatie van deze functies niet aan. Ook het vervolg van de N206 (knooppunt Lammenschans en Churchilllaan) is reeds zeer zwaar belast. De conclusie is dus, dat de externe ontsluiting richting A4 uitstekend zal zijn, maar dat de interne ontsluiting richting Leiden/Leidse regio problematisch is". Dit betekent in gewoon Nederlands: meer files.

Bovendien kan de Oostvlietpolder ons inziens niet los worden gezien van overige verstedelijking aan de oostkant van Leiden: de ontwikkeling van Snoekerhaven, Roomburg en de Krimwijk in de gemeente Voorschoten. Al deze nieuwe bestemmingen zullen een behoorlijke extra toename van de mobiliteit aan de oostkant van Leiden tot gevolg hebben.

In het voorontwerp bestemmingsplan werkt de gemeente op de korte termijn één voorstel uit om de verkeersproblematiek aan te pakken, namelijk verbreding van de Europaweg en optimalisering van het Lammerschansplein. De gemeente laat hier echter onmiddellijk op volgen dat deze maatregelen onvoldoende zullen zijn voor het oplossen van het verkeersprobleem (zie bladzijde 44).

Voor de langere termijn is er volgens het voorontwerp bestemmingsplan de keuze uit twee mogelijkheden:

1. Het doortrekken van de Churchilllaan naar de A4. Deze wordt geprojecteerd dwars door de Oostvlietpolder direct langs het in te richten terrein voor de volkstuinders. De negatieve effecten van deze variant zijn overigens niet onderzocht. Ook is nog geen studie verricht naar de haalbaarheid.

2. Aanleg van de A11/N11 (de voorkeursvariant) die moet lopen tussen de A4 en de A44. Deze weg is gepland aan de rand van de Oostvlietpolder langs de Vlietlanden. Wat hierbij opvalt is dat dit tracé direct langs het graslandreservaat loopt dat de gemeente met name wil aanleggen als compensatiegebied voor de beschermde weidevogels (Rode Lijst). Ons inziens is dit geen realistische mogelijkheid. In bijlage 7 op bladzijde 7 van het plan wordt namelijk gesteld: "De weidevogels zijn enigszins geconcentreerd in het zuidwestelijk deel van P1, doch houden een afstand van circa 200 meter aan ten opzichte van de A4. Dit is een bekend patroon; weidevogeldichtheden dalen scherp boven een geluidsbelasting van 47 dB(A) (bron: Reijnen en Foppen, 1992). Kortom: de eventuele aanleg van A11/N11 is aantoonbaar conflicterend met de bestemming natuurcompensatiegebied (graslandreservaat) zodat deze auto(snel)weg geen reëele optie is. Tenminste, de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder gaat er nog steeds van uit dat de gemeente Leiden 'nadrukkelijk rekening houdt met de ecologische waarden' zoals ook in de Oostvlietpolder nieuwsbrief nummer 5 (januari 2003) is aangegeven.

Ook de stelling dat de Oostvlietpolder per openbaar vervoer goed bereikbaar is, is niet terecht. De enige buslijnen die de Oostvlietpolder via de Europaweg passeren zijn Connexxion lijn 45 en lijn 170. Met andere vormen van openbaar vervoer is de Oostvlietpolder niet te bereiken. In het vorige bestemmingsplan (april 1999) werd er van uitgegaan dat 4000 werknemers een arbeidsplaats zouden krijgen in de Oostvlietpolder en dat de aan te leggen Rijn-Gouwelijn langs het bedrijventerrein Oostvlietpolder zou komen te lopen. Inmiddels is voor een ander tracé gekozen en is de reservering in het voorontwerp bestemmingsplan voor de Rijn-Gouwelijn vervallen. Met alleen enkele buslijnen kan men niet spreken van 'goede bereikbaarheid per openbaar vervoer'.

De geschatte verkeersproductie van het bedrijventerrein van 8000 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) betekent een grote uitbreiding van de verkeersbelasting van de Europaweg, er van uit gaande dat het overgrote deel van de verkeersbewegingen zich in de spitsuren afspeelt. Bovendien is deze inschatting erg laag. Zoals gezegd werd in het vorige bestemmingsplan (april 1999) uitgegaan van 4000 werknemers. Gezien de plaats van het bedrijventerrein op aanzienlijke afstand van de rest van de stad zal een groot deel van de werknemers zich per auto van en naar hun werk verplaatsen. Daarmee is het aantal van 8000 mvt/etmaal al vrijwel bereikt.

Daar komt bij dat bijvoorbeeld distributiebedrijven gedurende de hele dag gebruik maken van de Europaweg. In het voorliggende voorontwerp bestemmingsplan wordt veel meer ruimte gegeven voor de vestiging van kantoren en bijvoorbeeld autoshowrooms en meubeltoonzalen. Daarmee zal het aantal mvt/etmaal veel hoger uitkomen dan het hier genoemde aantal.

Bovendien wordt ten onrechte opgemerkt dat het bedrijventerrein een uitstekende externe ontsluiting heeft. Rijksweg A4 is gezien het aantal filemeldingen op het gedeelte waar de Europaweg op de A4 aansluit nu al overbelast. Het is algemeen bekend dat het aantal files sterk uitbreidt als het verkeersaanbod via op- en afritten groeit. De realisering van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder betekent een aanzienlijke uitbreiding van de verkeersstromen van de A4 naar de Europaweg en omgekeerd vanwege de aan- en afvoer van diensten en/of producten en de stroom van werknemers die vanwege de volledig verstopte Europaweg in de spitsuren hun weg zullen zoeken via de A4. Het is de vraag of een toekomstige verbreding van de A4 hier een afdoende oplossing kan bieden, omdat die verbreding al noodzakelijk is om de bestaande fileproblemen op te lossen.

Onze conclusie: de gemeente Leiden presenteert hier een plan voor de Oostvlietpolder dat grote verkeersproblemen zal veroorzaken die niet binnen dit plan worden opgelost. Daarnaast zullen voorgestane oplossingen opnieuw leiden tot conflicterende bestemmingen binnen het plangebied. Ook is het niet terecht dat een zo duidelijke reservering gemaakt wordt voor een toekomstige Rijksweg A11/N11, omdat niet aannemelijk is dat deze auto(snel)weg in de planperiode wordt aangelegd. De aanleg van het bedrijventerrein zonder een oplossing te bieden voor de verkeerstechnische problemen die deze aanleg veroorzaakt, is in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

4. De bijdrage van de Oostvlietpolder aan de leefbaarheid van de Leidse regio

Voor vele mensen en ook voor het personeel van het geplande bedrijventerrein in de Oostvlietpolder zal het leven in deze regio door de voortgaande verstedelijking steeds onaantrekkelijker worden. Hierdoor zullen met name de mensen behorende tot de midden- of hogere inkomensgroepen vroeg of laat besluiten zich elders in Nederland (of in het buitenland) te vestigen. Want wat heeft de Leidse regio hen nog te bieden? Na het werk mag men de vrijetijdsbesteding invullen in een aaneengesloten, verstedelijkt gebied waaruit ontsnappen alleen nog met de auto mogelijk is en waarbij men zelfs in de weekenden nog in de file staat.

Juist de oostkant van Leiden (Polderpark Cronesteyn, Vlietweg, Oostvlietpolder, Recreatiegebied Vlietlanden), die per fiets of wandelend vanuit Leiden goed bereikbaar is, wordt door zijn afwisselendheid en open (agrarische) karakter door veel mensen gewaardeerd, wat valt op te maken uit de enorme drukte als mensen er op een mooie dag op uit trekken. Het geeft de bewoners van Leiden en omstreken de mogelijkheid nog iets van het boerenleven te ervaren. Ouders en grootouders die even van hun fiets stappen om aan hun (klein)kinderen het melken van koeien te laten zien of een kalfje geboren te zien worden, lammetjes te zien dartelen in de wei.

Dit gebied met zijn huidige inrichting heeft dus een aantoonbare natuurlijke en recreatieve waarde en voorziet overduidelijk in een behoefte zodat wij er (nogmaals) op willen aandringen dit open, groene gebied in zijn huidige ongerepte vorm te handhaven. Tegelijkertijd levert het behoud van gebieden als de Oostvlietpolder volgens ons een positieve bijdrage aan de leefbaarheid in deze regio en het terugdringen van het huidige hoge migratiesaldo.

Volgende pagina