Bezwaarschrift bestemmingsplan Oostvlietpolder maart 2004
De in dit bezwaarschrift genoemde bijlagen zijn niet op deze website geplaatst.
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
Leiden, 1 maart 2004.
Aan:
Gedeputeerde Staten provincie Zuid-Holland
Postbus 90602, 2509 LP Den HaagBetreft:
bezwaarschrift bestemmingsplan Oostvlietpolder, gemeente Leiden
Geacht college,
Het bestemmingsplan Oostvlietpolder: basis voor de toekomstige inrichting van de allerlaatste agrarische polder op Leids grondgebied. Vervaardigd voor onze toekomst, ons geluk en welzijn en dat van onze kinderen.
Vele bewoners uit Leiden vinden de Oostvlietpolder uiterst waardevol omdat zij hier nog één van de weinige mogelijkheden hebben om op loop- en fietsafstand iets van het buitenleven te ervaren: hun volkstuinhobby op een landelijke locatie te bedrijven, te fietsen langs het open landschap, te wandelen of skeeleren over de Vlietweg. Kortom, naast de agrarische functie draagt de Oostvlietpolder bij aan het welzijn van mensen die de hele week hebben gewerkt of genieten van hun oude dag.
Maar volgens de gemeente Leiden een bestemming die blijkbaar niet meer past bij onze huidige behoeften. Want het bestemmingsplan omvat op de korte termijn de aanleg van een industrieterrein van tenminste 35 hectare. Op de langere termijn moet daaraan nog eens 5 hectare (of meer!) worden toegevoegd. Toch wordt er (volgens de gemeente) nadrukkelijk rekening gehouden met de ecologische en recreatieve waarden van het gebied en is het industrieterrein landschappelijk goed ingepast in de waardevolle polder.
Niets is echter minder waar: alle 'groene plannen' en voornemens ten spijt, wanneer dit bestemmingsplan werkelijkheid wordt, zal dit uiteindelijk voor mens en dier het definitieve einde van de huidige agrarische Oostvlietpolder betekenen en zullen natuur en milieu voor de zoveelste maal ondergeschikt gemaakt worden aan veronderstelde economische behoeften.
Daarom wil de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder hierbij haar bezwaarschrift indienen inzake het bestemmingsplan Oostvlietpolder d.d. 20 januari 2004. Gelet op de inhoud van dit bezwaarschrift en de door de Vereniging in het verleden ingediende bedenkingen en overwegingen, verzoeken wij u dringend uw plannen met de Oostvlietpolder te heroverwegen en deze allerlaatste waardevolle agrarische polder op Leids grondgebied te behouden.
Ons belangrijkste bezwaar blijft de vestiging van een volgens ons ongewenst en overbodig industrieterrein in de Oostvlietpolder (zie paragrafen 1 en 2). Als er al een industrieterrein moet komen, dan met duidelijke en gewaarborgde grenzen, een in dit plan aangegeven oplossing voor de bereikbaarheidsproblemen en volledig rekening houdend met de overige bestemmingen.
1. Een bedrijventerrein / woningbouw in de Oostvlietpolder
Strijdigheid met hogere regelgeving / uitspraak Raad van State
Het bestemmingsplan formuleert op bladzijde 5, paragraaf 1.2 het volgende doel van het plan: "Het doel van het onderhavig bestemmingsplan is het mogelijk maken van een bedrijvenpark in de Oostvlietpolder met een beoogde netto-oppervlakte van 40 ha". Deze doelstelling en de in het bestemmingsplan voorgestane inrichting zijn echter strijdig met deel 4 van de PKB Vinac. Deze strijdigheid is bevestigd door de Raad van State: De Raad van State heeft op 29 augustus 2001 het opnemen van dit bedrijventerrein in het bestemmingsplan Oostvlietpolder (april 1999) van de gemeente Leiden in strijd geoordeeld met hogere regelgeving (no. 200000246/1).De overwegingen van de Raad van State kwamen samengevat op het volgende neer: In zowel de PKB NRB behorende bij de Vinex als de PKB NRB behorende bij de Vinac is het gebied tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer aangewezen als bufferzone. In deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg uitsluitend goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijventerrein in de Oostvlietpolder, waarbij onder meer als voorwaarde is opgenomen dat de rest van de Oostvlietpolder binnen de bufferzone blijft en een groene inpassing krijgt. De uitzondering op het bufferzonebeleid ten behoeve van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder is niet in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac opgenomen. Omdat de PKB voor het bestemmingsplan geldt als hogere regelgeving en er sinds de uitspraak van de Raad van State geen wijziging in deze regelgeving heeft plaatsgevonden, blijft het voorgestelde bedrijventerrein in strijd met hogere regelgeving.
Hieraan willen wij het volgende toevoegen: Deel 4 van de Vinac is de herziening van deel 3, hetgeen betekent, dat deel 3 komt te vervallen. Toetsingskader is dus de concrete beleidsbeslissing in deel 4, deze moet in acht genomen worden. De goedkeuring in het bestuurlijk overleg van een bedrijventerrein van 40 hectare is geen concrete beleidsbeslissing, het kan hooguit juridisch worden gezien als convenant. De eerste vraag is, of een convenant dat is gesloten in het kader van Vinac deel 3 überhaupt nog geldig is na de herziening ervan. Ten tweede werkt een convenant (een civielrechtelijk contract of schikking tussen partijen) alleen tussen de partijen en is niet het wettelijke toetsingskader voor streek- en bestemmingsplannen, vooral niet als er iets in wordt geregeld dat in strijd is met de wet. Het kan zeker geen invulling aan de concrete beleidsbeslissing 'rijksbufferzone' geven en wat nog sterker is, het is in strijd met deze concrete beleidsbeslissing.
Wij maken bezwaar tegen het onjuist citeren van de uitspraak van de Raad van State van 29 augustus 2001 met betrekking tot het bestemmingsplan Oostvlietpolder (april 1999) als onderbouwing van het antwoord van de gemeente Leiden op de zienswijzen met betrekking tot de strijdigheid met het rijksbeleid (2.1 Gelijkluidende zienswijzen I, onder a). Volgens de gemeente Leiden geeft de Raad van State in zijn uitspraak "impliciet" aan zich te kunnen vinden in het verwezenlijken van 40 ha. netto bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. De Raad van State vermeldt in zijn uitspraak echter expliciet, dat niet inzichtelijk is gemaakt om welke reden voorbij kan worden gegaan aan het niet opnemen van het bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder in deel 4 van de PKB behorende bij de Vinac.
Voorts wordt in strijd met hogere regelgeving het industrieterrein wel degelijk een zichtlocatie. In de voorschriften is sprake van bebouwing van maximaal 24 meter met de mogelijkheid om deze tot 27 meter uit te breiden. Met dergelijke hoogten kan niet anders dan dat er sprake is van een zichtlocatie, aangezien de hoogte van volwassen bomen (en het duurt jaren voordat die er staan) nog niet tot de helft van deze bouwhoogte reiken.
De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening / Nota Ruimte
Omdat de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening / Nota Ruimte niet is vastgesteld en de vorige regering in 2002 heeft aangekondigd deze Nota op een aantal onderdelen te zullen gaan wijzigen, is er geen sprake van een concrete wijziging in de regelgeving waarop in het bestemmingsplan alvast vooruit gelopen kan worden.In het verleden is wel deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening opgesteld. Daarin worden alle rijksbufferzones zoals aangewezen in de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid Actualisering VINEX getransformeerd tot regionale parken* (met uitzondering van de zone Blaricum - Huizen). Voor regionale parken geldt, evenals voorheen voor de rijksbufferzones, dat uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag in principe niet is toegestaan.
* Een regionaal park is een herkenbare landschappelijke eenheid van niet-verstedelijkt gebied, aansluitend op de steden in een stedelijk netwerk. Regionale parken zijn bedoeld om de mogelijkheden van dagrecreatie voor de bewoners van stedelijke netwerken te vergroten en te verbeteren. In regionale parken is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag en uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie niet toegestaan.
Uit: Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, deel 3 kabinetsstandpunt, pagina 86
(vergaderjaar 2001-2002).Een ander beleidsconcept uit de Vijfde Nota betreft de 'stedelijke netwerken'. Stedelijke netwerken worden omschreven als sterk verstedelijkte zones die de vorm aannemen van een aantal goed met elkaar verbonden compacte grotere en kleinere steden, gescheiden door buitengebied. Binnen deze stedelijke netwerken zijn bundelingsgebieden aangegeven waar een deel van de stedelijke opgave dient te worden geaccommodeerd. Het gehele streekplangebied Zuid-Holland West is in de Vijfde Nota als bundelingsgebied aangewezen, met uitzondering van de rijksbufferzones Den Haag - Leiden - Zoetermeer (waarin de Oostvlietpolder) en Midden Delfland en het Hollands Plassengebied (Groene Hart). (Bron: Streekplan Zuid-Holland West 19 februari 2003, bladzijde 17)
De leden van de Tweede Kamer Verbugt (VVD) en Van Wijnen (CDA) hebben op 15 april 2002 een motie (nummer 41) ingediend.
(27 578 Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
Nr. 41 MOTIE VAN DE LEDEN VERBUGT EN VAN WIJMEN
Voorgesteld in het Nota-overleg van 15 april 2002)
De Kamer, gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat in verband met het geconstateerde tekort aan bedrijfsterreinen in de Leidse regio de minister van VROM reeds in het kader van de actualisering van de Vierde nota extra overeenstemming heeft bereikt over de aanleg van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder te Leiden, dat interpretatie van de aldaar verwoorde overeenstemming in juridische procedures niet de wettelijke basis geboden heeft om tot feitelijke realisatie van het bedrijfsterrein over te gaan, dat in het licht daarvan duidelijkheid geboden is;verzoekt de regering in de PKB Vijfde nota ruimtelijke ordening in artikel F.4 Verstedelijking na de tweede alinea blz. 107 toe te voegen:
«De Oostvlietpolder dient een substantiële bijdrage te leveren aan de vermindering van de grote behoefte aan bedrijfsterrein in de Leidse regio. De realisatie van een landschappelijk goed ingepast en hoogwaardig bedrijfsterrein is daartoe noodzakelijk. Bij de opstelling van het beleidskader, het Regionale Park LeidenZoetermeerDen Haag, dienen provincie en gemeente zorg te dragen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing.»,en gaat over tot de orde van de dag.
Verbugt
Van Wijmen
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 20012002
KST61202
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2002 Tweede Kamer, vergaderjaar 20012002, 27 578, nr. 41Reactie minister Pronk: "Ik laat het oordeel aan de Kamer over. De locatie kan echter pas worden gerealiseerd door toevoeging van een passage aan de PKB waarmee de grens van de betreffende bufferzone zo kan worden aangepast dat hiervoor ruimte wordt geschapen".
(27578 Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota ruimtelijke ordening
Nr. 102 Brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 april 2002)Tot op heden, 1 maart 2004, heeft de Kamer geen oordeel over de Oostvlietpolder uitgesproken en is de PKB niet gewijzigd. Dit constaterende en de motie en beantwoording van de minister beschouwende, is onze conclusie dat voor het bestemmingsplan Oostvlietpolder (20 januari 2004) op rijksniveau niet de wettelijke basis is geboden om tot feitelijke realisatie van een industrieterrein (en nu zelfs ook woningbouw!) over te gaan.
Het Rijksbufferzonebeleid
De Oostvlietpolder is een onderdeel van de bufferzone / het regionale park tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer (zie de PKB NRB bij de Vinex en de Vinac). Als een industrieterrein hier al in zou passen, dan zeker niet een industrieterrein met ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën (met name de categorieën 4.1 en 4.2, zelfs eventueel tot en met 5), zoals nu in het bestemmingsplan wordt voorgesteld. Of zelfs zonder beperkingen als we de website van Bedrijfspand in Rijnland (www.bedrijfspandinrijnland.nl) mogen geloven (zie bijlage 1)!Aan de Oostvlietpolder worden ook in het Streekplan Zuid-Holland West verschillende functies toegekend die thuishoren in een bufferzone / regionaal park, zoals dagrecreatie en een groene, ecologische verbinding tussen de aangrenzende groenblauwe gebieden. Met die functies is de aanleg van een industrieterrein van tenminste 35 hectare moeilijk te rijmen. Het industrieterrein vormt een vanuit planologisch oogpunt gekunsteld aandoende uitstulping in en onderbreking van de aaneenschakeling van groenblauwe gebieden aan de oostzijde van de gemeenten Leiden, Voorschoten en Leidschendam.
Door het situeren van het industrieterrein in de richting van de Vlietweg en het plannen van
68 woningen achter de Vlietweg is er geen sprake meer van een groene verbindingszone tussen de Vlietlanden en polderpark Cronesteyn, wat een uitdrukkelijke voorwaarde voor de aanleg van het bedrijventerrein was van zowel de gemeente Leiden als de Provincie Zuid-Holland (zie onder andere het Streekplan Zuid-Holland West en het Ecologisch Beleidsplan).De gemeente Leiden stelde destijds zelf in haar 'Commentaar op de inspraakreacties (voor-)ontwerp
bestemmingsplan Oostvlietpolder en structuurvisie Oostvlietpolder' van december 1998 op bladzijde 32 in haar beantwoording op inspraakreacties:
"De Oostvlietpolder maakt deel uit van de bufferzone Den Haag - Leiden - Zoetermeer, wat betekent dat verstedelijkingsopgaven buiten deze zone opgelost dienen te worden. Woningbouw mag hier dan ook niet worden gerealiseerd".Volgens het rijksbeleid behoort de Oostvlietpolder tot de rijksbufferzone en is het noch in deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB NRB behorend bij de Vinac noch in deel 4 toegestaan om in de Oostvlietpolder woningbouw toe te staan. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder maakt dan ook ernstig bezwaar tegen de mogelijkheid om woningbouw te realiseren in dit bestemmingsplan.
Nadere overwegingen
Gezien het massale, recreatieve gebruik van de Vlietweg door fietsers en wandelaars is de Oostvlietpolder in de bestaande vorm een voor de mens waardevol gebied. Door het open en groene karakter van de Oostvlietpolder ingrijpend te verstoren wordt het fundament onder de groene rijksbufferzone / regionaal park tussen Leiden, Den Haag en Zoetermeer aangetast, ontstaat er een versnipperd geheel aan onsamenhangende groenstroken, dat overal ontsierd wordt door het uitzicht op hoge bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen. En wat staat een verdere aantasting van de rijksbufferzone / het regionale park dan nog in de weg?Het rijksbufferzonebeleid is opgesteld om het aaneengroeien van steden tegen te gaan en open groene ruimten en de leefbaarheid rondom steden nu en in de toekomst te behouden. Welk een zin heeft het gebieden eerst als rijksbufferzone aan te wijzen om vervolgens een aantal jaren later deze gebieden alsnog te bebouwen omdat veronderstelde economische behoeften zwaarder wegen?
Gevolg: deze generatie bebouwt de Oostvlietpolder om de veronderstelde economische groei in deze regio te kunnen realiseren. De volgende generatie(s) heeft/hebben straks ongetwijfeld ook dergelijke behoeften en bouwen vast en zeker de overige polders in de Randstad vol. En dan? Als die open ruimten dan ook zijn volgebouwd? Steunen wij dit rijksbufferzonebeleid om het polderlandschap nabij de steden open te houden of vinden wij het inmiddels onzin en laten wij toekomstige generaties geen keuze? Telt voor elke m2 poldergrond alléén het financiële gewin of mogen toekomstige stedelingen in de Randstad ook nog tot rust komen en genieten van koeien, schapen en een polderlandschap nabij hun stad? Kortom, denken wij ook nog aan ons welzijn in plaats van alleen aan de welvaart?!
2. De noodzaak van een industrieterrein in de Oostvlietpolder
De gemeente Leiden stelt dat er een tekort is aan bedrijfsterreinen in de Leidse regio en dat dit een bedreiging vormt voor de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid in de regio. De feiten weerspreken dit echter.
Onderbouwing behoefteraming op basis van de Quick Scan
De gemeente Leiden (en ook de provincie Zuid-Holland) onderbouwen de enorme behoefte aan bedrijventerreinen met het onderzoeksrapport 'Quick Scan behoefteraming bedrijventerreinen Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek' van het Nederlands Economisch Instituut (NEI) uit Rotterdam en vervolgpublicaties van hetzelfde instituut. Hierin is te zien dat tot 2020 volgens de Quick Scan de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen in de regio Leiden Bollenstreek 330 hectare is (16,5 hectare per jaar). Een gezaghebbend instituut als het Centraal Planbureau komt voor dezelfde regio tot een aanmerkelijk lagere voorspelling, namelijk een behoefte van 120 hectare (5,5 hectare per jaar) bij een economische groei van 2,5-2,8 %, een economisch groeicijfer waar we voorlopig alleen maar van kunnen dromen. Dit is na te lezen in "Werkdocument no 112, Bedrijfslocatiemonitor regionale verkenningen 2010-2020: in gesprek met de regio's", CPB, september 1999. De voornaamste cijfers uit beide onderzoeken zijn samengevat in het onderstaande schema.
Aannames economische groei
1. Quick scan
Uit het eindrapport is niet te achterhalen welke economische groeicijfers de Quick Scan hanteert.
2. CPB
In deze tabel is het zogenaamde European Competition Scenario getoond. Dit scenario houdt in dat het Bruto Binnenlands Product in de periode tot 2010 groeit met 2,8 % per jaar en na 2010 met 2,5 % per jaar.
Kort samengevat: de Quick Scan weet een behoefteraming te berekenen die 3 keer zo hoog is dan de raming die het Centraal Planbureau heeft opgesteld.
Nadere bestudering van de Quick Scan leert dat er in totaal 5 berekeningsmethodes zijn waarmee een behoefteraming kan worden opgesteld (historische uitgifte, terreinquotiëntenmethode, vraagmethode, gebouwenvoorraadmethode en demografische methode). Sommige methodes geven hoge uitkomsten, andere lage. De methodes die in de Quick Scan zijn gebruikt geven "toevallig" hele hoge uitkomsten. Het mag duidelijk zijn dat door het NEI en het Centraal Planbureau verschillende methodes zijn gehanteerd. Met de extreme cijfers van het NEI wordt een zeer ingrijpende beslissing onderbouwd, namelijk de beslissing om een waardevol stuk groen te vernietigen. Het is ons volstrekt onduidelijk waarom de gemeente Leiden aan de extreme cijfers van het NEI meer waarde hecht dan aan de cijfers van het CPB. De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder acht het daarom zeer wenselijk dat een onafhankelijke deskundige een audit uitvoert op de Quick Scan, met name op de gehanteerde berekeningsmethodes en op de validiteit van de cijfers (deels door de Kamer van Koophandel verstrekt!) op basis waarvan de behoefte berekend is.
Daarnaast willen wij nog een belangrijke kanttekening plaatsen bij de Quick Scan. De Quick Scan stelt dat in het verleden in de regio Leiden Bollenstreek veel te weinig grond is uitgegeven voor bedrijfsterreinen en dat dit schadelijk is voor de regionale economie. De feiten weerspreken dit echter:
- In het Leidsch Dagblad van donderdag 21 november 2002 (zie bijlage 2): "De Leidse regio en de Bollenstreek kennen de sterkste economische groei van Zuid-Holland. Ook vergeleken met de rest van Nederland boert de streek zeer goed. (...) De gunstige cijfers voor de Leidse agglomeratie lijken haaks te staan op de oproep van het regionale bedrijfsleven aan gemeentebesturen: geef ons ruimte, want het gaat niet goed met de economie". De krant baseert zich op onafhankelijk en deskundig onderzoek, namelijk het rapport "Cijfers en Trends Zuid-Holland" van de RABO-bank. Uit dit onderzoek valt te concluderen dat het minder droevig is gesteld met de economie in de Leidse regio en de Bollenstreek dan dat de plannenmakers ons willen doen geloven.
- De website van de Kamer van Koophandel Rijnland vermeldt op de pagina 'Ondernemer en regio': "De regio Rijnland telt 24 gemeenten rondom de drie centrumgemeenten Katwijk, Leiden en Alphen aan den Rijn. In de Duin- en Bollenstreek, de Leidse regio en de Rijnstreek rondom Alphen samen staan 40.000 bedrijven ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er werken ruim 150.000 personen in het gebied. De bedrijvigheid is zeer divers van aard en de jaarlijkse ERBO-enquête (Enquête Regionale BedrijfsOntwikkeling) toont telkens weer aan dat dit gebied bovengemiddeld scoort voor wat betreft omzet, werkgelegenheid en rendementsontwikkeling". Dit alles is al jaren mogelijk ondanks de volgens de Quick Scan veel te lage gronduitgifte.
Niet genoemd aanbod in de Quick Scan
De Quick Scan van het NEI is ons inziens ronduit misleidend op het punt van de vraag- en aanbodconfrontatie. Hierin is het aanbod van particulieren (ontwikkelaars en bedrijven) weggelaten! Wij konden zelf 20 hectare extra aanbod traceren van Heineken en ESTEC (zie bijlage 3).Voorts is in de Quick Scan geen rekening gehouden met het vrijkomen van de in het Streekplan Zuid-Holland West geplande ontwikkelingslocatie Valkenburg. De provincie Zuid-Holland heeft het voornemen om op Vliegveld Valkenburg naast woningbouw (8250 woningen) ook nog eens 50 hectare bedrijventerrein te ontwikkelen; 10 ha meer dan in de Oostvlietpolder!
Samenvattend: het aanbod dat wordt genoemd in de Quick Scan is onvolledig. Er kan minimaal 70 hectare worden bijgeteld!
Ruimtewinst bestaande bedrijventerreinen door intensivering
In de Quick Scan is nauwelijks rekening gehouden met extra ruimte die gewonnen kan worden door bedrijventerreinen te herstructureren (indikken en verdichten). De provincie heeft in het Streekplan Zuid Holland West aan de regio de opdracht gegeven om minimaal 10% ruimtewinst te boeken door herstructurering, d.w.z. 10% van 586 hectare is 58 hectare. Hiervan is in het NEI-rapport maar 5 hectare terug te vinden. Er kan dus nog 53 hectare gevonden worden door herstructurering. Dit extra aanbod van 53 hectare kan worden opgeteld bij het in de vorige paragraaf genoemde extra aanbod van 70 hectare: totaal 123 hectare extra aanbod!In haar reactie op de zienswijze van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder op het ontwerp bestemmingsplan geeft de gemeente Leiden aan dat deze 10% ruimtewinst niet haalbaar is in Leiden. De gemeente Leiden maakt echter op geen enkele wijze aannemelijk dat zij serieuze pogingen daartoe onderneemt. Tot op heden heeft de gemeente geen concrete plannen van substantiële omvang ontwikkeld voor het herstructureren van bestaande bedrijventerreinen. Kennelijk vindt de gemeente het makkelijker om een waardevol natuurgebied (de Oostvlietpolder) om te ploegen. In de beantwoording van de gemeente Leiden op de inspraakreacties op het voorontwerp bestemmingsplan geeft de gemeente nota bene aan dat zij bestaande bedrijventerreinen (Waardeiland, Nemterrein, Van Gend en Loosterrein) wil herbestemmen als woonlocatie. Bij omliggende gemeenten en (nieuwe) bedrijventerreinen als Rijnfront en Veenderveld is op dit punt hetzelfde beleid waarneembaar (zie bijlage 7).
Ook de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening had als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden tot inbreiding van bestaande bedrijfsterreinen onderzocht moet worden. Nu de gemeente de mogelijkheden voor inbreiding niet serieus heeft onderzocht gezien de schamele 5 hectare die ze daarmee slechts denkt te winnen en zelfs de wens heeft geuit bestaande bedrijventerreinen te sluiten en de bedrijven die daar gevestigd zijn te verplaatsen naar het nieuw aan te leggen bedrijventerrein in de Oostvlietpolder wordt in strijd gehandeld met een goede ruimtelijke ordening.
Leegstand door economische conjunctuur
De plannen voor de Oostvlietpolder zijn gemaakt ten tijde van de economische hausse. Inmiddels zijn de economische groeicijfers in neerwaartse zin bijgesteld. Een en ander weerspiegelt zich in een toename van leegstand van bedrijfsruimten niet alleen in Zuid-Holland maar ook in de rest van Nederland. Graag willen wij u hierbij wijzen op een artikel uit de Volkskrant van 15 november 2002 (zie bijlage 4): "In Nederland staat mede als gevolg van de economische malaise vier miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg, ruim 10 procent van het totale kantooroppervlak. Dit is anderhalf keer zo veel als tijdens de vorige kantorendip, begin jaren negentig. Volgens bank/verzekeraar ING is het 'zeer de vraag' of de kantoren ooit nog vol komen". Ook in de Leidse regio wordt de toename van leegstaande ruimten steeds duidelijker (zie bijlage 5).Uit cijfers van NVM Vastgoed (zie bijlage 6) blijkt dat het landelijk aanbod van bedrijfsruimten in 2003 enorm is gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren. In 2001 was het NVM-aanbod 4,3 miljoen m2 vrij verhuurbaar oppervlak (VVO), in 2002 5,6 miljoen en in 2003 6,0 miljoen! Tegelijkertijd is het aantal transacties gedaald. Hieruit blijkt duidelijk dat door tegenvallende economische ontwikkelingen de leegstand oploopt. Dit zal uiteraard ook negatieve gevolgen hebben voor de economische uitvoerbaarheid van het huidige bestemmingsplan. Bovendien geven deze cijfers onomstotelijk aan dat de door de gemeente Leiden aangevoerde noodzaak van weer een nieuw industrieterrein (ten koste van de Oostvlietpolder) niet correct is.
In de Quick Scan wordt uitgegaan van een zogenaamd middenscenario (waarschijnlijk 2,5-3% economische groei). De tijdshorizon van het bestemmingsplan is ongeveer 10 jaar. Wij achten het zeer aannemelijk dat deze economische groeicijfers de eerstkomende 4 jaar niet zullen worden gehaald. Het huidige kabinet gaat hier in ieder geval niet van uit.
Het argument dat het nu reeds nodig is om bedrijfsterreinen aan te leggen met het oog op een mogelijk in de toekomst weer stijgende vraag is niet steekhoudend. Net als de vraag naar bedrijfsruimte groeit ook de vraag naar ruimte voor de natuur en het milieu. Het is juist van belang om in de omgeving van stedelijke gebieden rekening te houden met de grote en alsmaar groeiende vraag naar groene ruimte. De behoefte aan bedrijfsterreinen wordt telkenmale met onderzoeken en cijfers onderbouwd; de behoefte aan dergelijke open (natuur)gebieden als de Oostvlietpolder is daarentegen niet onderzocht en met cijfers onderbouwd en daarom is er geen sprake van een objectieve en weloverwogen afweging van belangen.
Hoe gaat de regio om met het vermeende tekort aan bedrijfsterreinen?
Het Leidsch Dagblad van 4 oktober 2002 meldt dat volgens burgemeester en wethouders van Oegstgeest de behoefte aan kantoorgebouwen en bedrijven in de Leidse Regio minder groot is dan aanvankelijk werd gedacht (zie bijlage 7). Het oorspronkelijke plan voor de bouw van kantoren en bedrijven op het bedrijventerrein Rijnfront (in omvang vergelijkbaar met de Oostvlietpolder) is daarom inmiddels verlaten. Volgens de gemeente Oegstgeest moet er nu naast woningbouw op Rijnfront een groot groengebied worden aangelegd. Een dergelijk bericht is (opnieuw) een bevestiging van onze mening dat de behoefte aan nieuwe bedrijfsterreinen in de Leidse Regio sterk wordt overtrokken. Er kan nu blijkbaar zomaar van de aanleg van een omvangrijk nieuw bedrijventerrein worden afgezien!!! Als we de Leidse regio als één geheel beschouwen komt dit bericht uiterst merkwaardig voor: op Rijnfront in plaats van een bedrijventerrein een nieuw groengebied aanleggen terwijl in de Oostvlietpolder een natuurgebied (met inmiddels overduidelijk bewezen natuurwaarden, zoals Rode Lijst diersoorten) moet wijken voor een bedrijventerrein!! Het argument van de gemeente Leiden dat de onttrokken hectares gecompenseerd zijn in Rijnsburg doet in wezen niet ter zake. Als het tekort echt zo nijpend is als de gemeente Leiden stelt dan was dit compensatiegebied allang opgenomen in het aanbod.Voorts lezen wij in het Leidsch Dagblad van 1 februari 2003 dat er voor het MEOB-terrein
(15 hectare!) inmiddels alternatieve plannen worden ontwikkeld, namelijk de bouw van een gevangenis. De gemeente Oegstgeest staat volgens dit artikel positief tegenover deze plannen (zie bijlage 8). Wederom wordt afgezien van de aanleg van een bedrijventerrein!Al deze feiten tonen volgens ons duidelijk aan dat er minder vraag is naar nieuwe bedrijfsterreinen dan telkens wordt gesuggereerd. Uit de verschillende inventarisaties blijkt dat er nu en in de toekomst bovendien voldoende aanbod van bedrijfsterreinen is in de Leidse regio. Zoveel aanbod, dat het blijkbaar niet noodzakelijk is om bedrijfsterreinen op Rijnfront en MEOB (volledig) te ontwikkelen en in ieder geval voldoende aanbod om nadrukkelijker rekening te houden met de andere ruimtelijke behoeften in de regio, vooral de behoefte aan meer ruimte voor de natuur en voor recreatie. Opvallend hierbij is dat de gemeente Leiden en de Kamer van Koophandel Rijnland geen woord van protest laten horen wanneer er zo maar bedrijfsterrein aan het totale aanbod wordt onttrokken, terwijl bij de promotie van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder nadrukkelijk de publiciteit wordt gezocht om een vermeend tekort aan bedrijfsterreinen onder de aandacht te brengen! Deze verschillende opstellingen zijn niet met elkaar te rijmen.
Schuifruimte of gewoon nieuwe bedrijvigheid?
Volgens de gemeente Leiden is er geen andere mogelijkheid: het bedrijventerrein Oostvlietpolder is absoluut noodzakelijk om 'schuifruimte' te creëren om zo de herstructurering van bestaande Leidse bedrijfsterreinen mogelijk te maken en de werkgelegenheid te waarborgen. Daarbij gaat Leiden voorbij aan de eigen opvatting dat het aanleggen van bedrijfsterreinen niet langer een gemeentelijke maar een regionale aangelegenheid is. Als gemeenten elkaar 'schuifruimte' (aan)bieden en ook daadwerkelijk gezamenlijk bedrijfsterreinen ontwikkelen wordt het mogelijk om dergelijke waardevolle (natuur)gebieden als de Oostvlietpolder te behouden.In het Leids Nieuwsblad van 29 augustus 2003 ziet wethouder Geertsema de Oostvlietpolder als ideale vestigingsplaats voor biotechnologische en farmaceutische industrie. Ook in het rapport 'Energievisie Oostvlietpolder' van Ecofys uit september 2002 wordt de vestiging van nieuwe bedrijven benadrukt. Om een CO-2 neutraal industrieterrein haalbaar te maken zou in de Oostvlietpolder vooral voedselindustrie en ook één of twee papierfabrieken moeten komen. Dergelijke industrie is er in Leiden niet en dit bevestigt volgens ons eens te meer dat het industrieterrein niet nodig is om schuifruimte te creëren voor bestaande Leidse bedrijven en ook niet als noodzakelijke uitbreidingslocatie voor bestaande Leidse bedrijven. Het is gewoon de bedoeling ten koste van de schaarse groene ruimte de concurrentieslag met andere gemeenten aan te gaan om lucratieve nieuwe bedrijvigheid aan te trekken.
Volgende pagina