BEZWAARSCHRIFT RAAD VAN STATE INZAKE BESTEMMINGSPLAN OOSTVLIETPOLDER

Open, groene ruimten staan onder druk. Kantoorparken, bedrijventerreinen en woonwijken schieten als paddestoelen uit de grond. Wegen in de randstad snijden het landschap in stukken, versnipperen de natuur en staan vol files. En er lijkt geen eind aan te komen.....

Nu staat Leidens laatste agrarische polder, de Oostvlietpolder, ter discussie; straks is het de beurt aan de Grote Polder en het gebied rond vliegveld Valkenburg. Het bestemmingsplan Oostvlietpolder dient in dit grotere geheel te worden bezien omdat uitvoering van dit bestemmingsplan zal resulteren in een eenzijdigheid van bestemmingen en in het feit dat de gemeente Leiden straks binnen haar gemeentegrenzen geen enkele ongerepte (agrarische) polder meer bezit.

Het bedrijventerrein
De keuze voor de aanleg van weer een bedrijventerrein wordt opnieuw onderbouwd met zuiver economische argumenten, met name: behoud en uitbreiding van werkgelegenheid. Hierbij wordt volkomen uit het oog verloren dat de leefbaarheid van de Leidse regio ernstig en blijvend wordt aangetast. De Oostvlietpolder is niet alleen voor veel diersoorten een noodzakelijke verbindingszone tussen de Vlietlanden en het polderpark Cronestein. Gezien het massale gebruik van de Vlietweg door fietsers en voetgangers is dit ook een voor de mens noodzakelijke verbinding. Door het groene karakter van de Oostvlietpolder ingrijpend te verstoren wordt het fundament onder de groene bufferzone tussen Leiden, Den Haag en Zoetermeer aangetast.

Het is verreweg onvoldoende dat een zeer smalle en volkomen kunstmatige verbinding (in de vorm van een zogenaamde ecologische zone) gehandhaafd blijft tussen de Vlietlanden en het polderpark Cronestein. Door het groene en vooral open karakter van de Oostvlietpolder aan te tasten ontstaat een versnipperd geheel aan onsamenhangende groenstroken, dat overal ontsierd wordt door het uitzicht op hoge bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen. Wat staat dan een verdere aantasting van dit deel van het Groene Hart nog in de weg?

Het comité meent verder dat het telkenmale bebouwen en aanleggen van industrie- en bedrijventerreinen in deze regio de reeds bestaande problemen rond mobiliteit en wonen alleen maar zal versterken. Zo zullen de in deze regio reeds gevestigde bedrijven in de toekomst met nog langere files te maken krijgen en zal de randstad voor deze bedrijven steeds onwerkbaarder en onaantrekkelijker worden. Uiteindelijk zullen zij zich wellicht buiten Zuid-Holland of zelfs in het buitenland vestigen.

Zeker voor het (met name hoger opgeleide) personeel zal het leven in deze regio steeds onaantrekkelijker worden en zullen ook zij vroeg of laat besluiten zich elders in Nederland (of in het buitenland) te vestigen. Want wat heeft de randstad hen nog te bieden? Na het werk mag men de vrijetijdsbesteding invullen in een aaneengesloten, verstedelijkt gebied waaruit ontsnappen alleen nog met de auto mogelijk is. En zelfs in de weekenden staat men dan nog in de file.
Dan betrekken wij bij deze overwegingen nog niet eens de hoge woonlasten in deze regio......

Zowel de gemeente Leiden als de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bieden voor met name de verkeers- en mobiliteitsproblemen tot nu toe geen oplossing en blijven telkenmale alleen de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen benadrukken. Het verbreden en het aanleggen van nieuwe wegen blijkt in de praktijk slechts een tijdelijke oplossing. Carpoolen en het aanleggen van bijvoorbeeld Transferium 't Schouw lijken niet echt een succes. En straks het 'rekening rijden' wentelt het probleem voor de zoveelste maal af op de 'gewone burger' die in de file staat om naar zijn werk te komen.

Ook de reactie van Gedeputeerde Staten op de bedenkingen van Stichting Leefbaar Zuidwest dat het bedrijventerrein zal worden ontsloten vanaf de Hofvlietweg en het merendeel van de verkeersafwikkeling via deze weg naar de A4 zal lopen, m.a.w. geen toename van verkeersdrukte richting Leiden, stelt ons niet gerust en zal in de praktijk onjuist blijken. Dagelijks moeten immers zo'n vierduizend werknemers (niet alleen afkomstig vanaf de A4 en het merendeel rijdende in de auto) hun weg vinden van en naar het bedrijventerrein. Bovendien zullen veel bedrijven door hun transporten (bevoorrading, leveranties e.d.) voor een extra belasting van de Europaweg en andere wegen richting Leiden zorgen. En deze wegen kennen nu al enorme file-problemen. Struisvogelpolitiek dus om deze problemen niet te onderkennen.

Het comité meent dat zolang er geen goede oplossing voor de verkeersproblemen in de randstad voorhanden is, het onverantwoord is om blindelings door te gaan met aanleggen van industrie- en bedrijventerreinen in het zogenaamde 'economische hart' van Nederland zoals deze regio vaak wordt betiteld. Immers, het verder laten 'dichtslibben van de aderen (lees: wegen) van het 'economische hart' heeft uiteindelijk tot gevolg dat het 'hart' het begeeft in de vormen zoals wij hierboven reeds hebben omschreven. En dan betrekken wij bij deze overwegingen nog niet eens de extra belasting voor het milieu.....

In de toelichting van de Vinac wordt goedkeuring gegeven aan de ontwikkeling van een bedrijventerrein van 40 hectare in de Oostvlietpolder, mits het bedrijventerrein een groene inpassing krijgt en geen zichtlocatie wordt. Door het gedeeltelijk door middel van een groenzone afschermen van het bedrijventerrein van de Rijksweg A4 wordt niet aan deze voorwaarde voldaan. Alleen aan de zijde van Rijksweg A4 wordt een groenzone voorzien. Juist aan de 'groene' zijde van het bedrijventerrein, daar waar het bedrijventerrein grenst aan een voor agrarische doeleinden en volkstuinen bestemd gebied, wordt geen groenzone aangelegd. Hierdoor wordt derhalve niet voldaan aan de voorwaarde van groene inpassing

Gedeputeerde Staten reageren door de keuze van de gemeenteraad te onderschrijven dat een bedrijventerrein geen groene inpassing behoeft bij grasland en volkstuinen. Deze redenering is volgens ons zo niet in strijd met de letter van de Vinac, dan toch zeker in strijd met de geest daarvan. Het aan te leggen bedrijventerrein moet juist aan de zijde waar dit grenst aan een voor agrarische doeleinden en volkstuinen bestemd gebied aan het zicht onttrokken worden door de aanleg van een brede strook met bomen en struiken om te kunnen voldoen aan de voorwaarden voor een 'groene inpassing'. Het comité maakt derhalve ernstig bezwaar tegen het ontbreken van een groenstrook aan de zijde van het bedrijventerrein waar dit grenst aan een voor agrarische doeleinden en volkstuinen bestemd gebied.

Natuurwaarden Oostvlietpolder
Het comité Vrienden Oostvlietpolder heeft lang en verwachtingsvol uitgezien naar het Milieu Effect Rapport baggerspeciedepot Oostvlietpolder (MER). Het comité verwachtte dat uit het MER, na een uitvoerig en gedegen natuuronderzoek, zou blijken welke natuurwaarden de Oostvlietpolder bezit en welke gevolgen de aanleg van een baggerstortplaats (maar ook een bedrijventerrein) voor de in de Oostvlietpolder aanwezige planten en dieren zou hebben.

Hieronder passages uit het MER Oostvlietpolder betreffende natuurwaarden.....

De Oostvlietpolder heeft voor de weidevogels een fourageer- en een broedfunctie. De aangrenzende West Eindsche Polder is een weidevogelreservaat.
Uit een inventarisatie in 1992 door bureau Natuur van de provincie Zuid-Holland blijkt dat de Oostvlietpolder en Hofpolder van betekenis zijn voor weidevogels die typisch zijn voor open veenweidegebieden. In hoeverre de bestaande volkstuinen in de Oostvlietpolder hierop invloed hebben, in positieve of negatieve zin, is niet bekend.

Waardevol is het grote aantal broedparen van de Grutto (Rode Lijst) in verhouding tot de Scholekster en Kievit en het voorkomen van enkele broedparen van de Tureluur (Rode Lijst). Bijzonder waardevol is het voorkomen van de Zomertaling (Rode Lijst) als broedvogel. Zangvogels als Veldleeuwerik en Graspieper komen opvallend weinig voor. Het voorkomen van Rode lijstsoorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt.

De Zomertaling wordt in de Rode Lijst aangeduid als bedreigde soort. Deze typering houdt in dat betreffende soorten:
- sterk zijn afgenomen en zeldzaam tot zeer zeldzaam zijn, of
- sterk tot zeer sterk zijn afgenomen en zeldzaam zijn.

Afgezien van vleermuizen is er geen gericht onderzoek verricht naar het voorkomen van zoogdieren in het studiegebied.

Vleermuizen zijn waargenomen via een zogenaamde 'vleermuizendetector'. Hierbij is vooral de aangrenzende infrastructuur onderzocht, omdat vleermuizen zich met name langs de lijninfrastructuur ophouden. In de Oostvlietpolder zelf is geen onderzoek verricht. Gegevens over aantallen ontbreken.
Via veldwaarnemingen en 'vleermuizendetector' zijn in totaal 14 zoogdiersoorten vastgesteld (Kees Mosterd, Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland), waaronder 4 soorten vleermuizen (Laagvlieger, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Meervleermuis), 2 haasachtigen (Haas en Konijn), 2 insecteneters (Egel en Mol), 5 knaagdieren (Gewone bosspitsmuis, Bruine rat, Woelrat, Veldmuis en Bosmuis) en 1 roofdier (Wezel).
Bij de veldwaarnemingen zijn geen soorten aangetroffen die in Nederland of in Zuid-Holland bekend staan als zeldzaam of zeer zeldzaam. Alleen de Meervleermuis is een soort die niet algemeen voorkomt in Nederland.
De 4 gevonden vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet.

Met het aanleggen van het werkterrein, de aanleg van persleidingen, een depot voor vrijkomende grond en het graven van de put wordt de thans aanwezige flora en fauna verwijderd dan wel verstoord. Het gaat voornamelijk om de vegetatie van de graslanden en sloten in de Oostvliet- en Hofpolder en om weidevogels. Ook de leefgebieden van enkele algemene zoogdieren gaan verloren dan wel worden verstoord. Indien hierbij de autonome ontwikkelingen worden betrokken (o.a. bedrijventerrein, verplaatsing volkstuinen) dan betekent dit dat er, afgezien van de te realiseren ecologische ader, weinig ruimte overblijft voor ecologie. Het bestand aan weidevogels zal in ieder geval verloren gaan.

Ten gevolge van de verbreding van de A4 en de realisatie van één of meerdere tracés uit de studie Rijn-Gouwe west zal de verkeersdruk op het studiegebied toenemen. Dit zal de druk op de weidevogelpopulatie en het aantal verkeersslachtoffers onder zoogdieren doen toenemen.

De Oostvlietpolder valt ook onder het Randstad Groenstructuurbeleid en daarmee onder het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Compensatie is dus aan de orde.

Het compensatiebeginsel
Het compensatiebeginsel is gebaseerd op het 'stand-still' beginsel. Uitgangspunt is dat in beginsel geen netto verlies aan natuur-, bos en recreatiewaarden mag plaatsvinden. Als er echte aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang aanwezig is, waarvoor een ruimelijke ingreep wordt toegestaan, moeten de verloren gegane waarden worden gecompenseerd. Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Compensatie moet worden gezocht in het plangebied waarbinnen verlies van waarden optreedt en voor de kwaliteit van de waarden.

De locatie van het baggerspeciedepot maakt onderdeel uit van de Rijksbufferzone en valt daarmee in principe binnen de werkingssfeer van het compensatiebeginsel van de provincie Zuid-Holland. Het rijk heeft in de VINEX gesteld dat een baggerspeciedepot als (tijdelijke) functie inpasbaar is in de bufferzone. Compensatie op basis van de Rijksbufferzone is niet nodig. Compensatie is echter wel nodig voor enkele vogelsoorten die op de Rode Lijst van het Rijk voorkomen.

Naar aanleiding van deze passages willen wij de volgende opmerkingen plaatsen:

1. Gesteld wordt dat er geen gericht natuuronderzoek heeft plaatsgevonden. Ook uit een telefoongesprek met dhr. Kees Mosterd (bureau natuur Zuid-Holland) is ons gebleken dat het natuuronderzoek zich slechts heeft beperkt tot enkele veldwaarnemingen waarbij met name vanaf de omliggende wegen rond de Oostvlietpolder is waargenomen. Dit maakt het MER, die juist zo goed en volledig mogelijk de gevolgen van dergelijke projecten voor natuur en milieu in kaart moet brengen, ons inziens onvolledig en onbetrouwbaar. Alvorens goedkeuring aan het bestemmingsplan te verlenen, dient ons inziens een grondig natuuronderzoek plaats te vinden.

2. Het bedrijventerrein verstoort c.q. vernietigt de in de Oostvlietpolder aanwezige natuur, planten en de leefgebieden van dieren. Het is ons nog niet gebleken hoe het een en andere qua 'compensatie' in de praktijk zal worden geregeld.
De vogelsoorten op de Rode Lijst dienen volgens het MER 'gelijkwaardig en in het plangebied' te worden gecompenseerd. Het aanleggen van de in het bestemmingsplan aangegeven ecologische zone die als een moerasachtig gebied zal worden ingericht, is niet vergelijkbaar met de verloren gegane waarden en derhalve geen optie. Het comité meent dat compensatie kan worden gerealiseerd in het agrarische gebied welke in dit bestemmingsplan wordt vrij gehouden voor een eventuele baggerstortplaats. Dit gebied kan ons inziens, bij realisering van het bedrijventerrein, worden bestemd en ingericht als een expliciet leefgebied voor weidevogels om zo aan het compensatiebeginsel te voldoen.

3. De lijst in het MER van voorkomende dieren in de Oostvlietpolder is onvolledig; het natuuronderzoek in het MER schiet ernstig tekort. Ook de reactie op ons bezwaarschrift van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland dat 'uit een inventarisatie van het gebied naar voren komt dat de vegetatie van de graslanden geen hoge natuurwaarde heeft', achten wij uiterst merkwaardig. De reactie van Gedeputeerde Staten is oppervlakkig, onduidelijk en vermeldt inhoudelijk niets over de bevindingen uit de zogenaamde 'inventarisatie'.

Het comité Vrienden Oostvlietpolder heeft na eigen (eenvoudig) onderzoek inmiddels vastgesteld dat er, naast de genoemde dieren in het MER, ook vlinders en hagedisachtigen in de Oostvlietpolder voorkomen. Om het gebied derhalve te classifiseren als 'grasland zonder hoge natuurwaarde' is onterecht.
Hieronder daarom onze lijst met de belangrijkste diersoorten in de Oostvlietpolder:

- 4 soorten vleermuizen (Laagvlieger, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Meervleermuis).
De 4 gevonden vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet.
- Grutto, Tureluur en Zomertaling (Rode Lijst).
Het voorkomen van Rode lijstsoorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt.
- Hagedisachtigen (met name op de volktuincomplexen).
Beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet en vallende onder de 'Conventie van Bern'.

4. Gelet op bovenstaande lijst vraagt het comité zich af hoe Gedeputeerde Staten een bestemmingsplan Oostvlietpolder en dus het aanleggen van een bedrijventerrein in een dergelijk gebied kunnen goedkeuren zonder een gedegen, uitvoerig natuuronderzoek en met de (huidige) kennis dat er in dit gebied dieren leven die vallen onder de Natuurbeschermingswet en de 'Conventie van Bern'.

De Natuurbeschermingswet verbiedt burgers een beschermde soort te vangen en/of te koop aan te bieden, te doden, zijn nest of hol (leefgebied) te verstoren dan wel te beschadigen, etc. Berokkent het aanleggen van een bedrijventerrein deze beschermde soorten en hun leefgebied geen schade?

Dat Nederland de 'Conventie van Bern' heeft ondertekend (19 september 1979), waarbij het zich o.a. verplicht tot bescherming van de leefgebieden van herpetofauna-soorten (waaronder hagedissen), maakt een goedkeuring aan het bestemmingsplan Oostvlietpolder nog twijfelachtiger
Uit de 'Conventie van Bern': "Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten."

Het comité stelt dat bij de totstandkoming en goedkeuring van het bestemmingsplan Oostvlietpolder in strijd is gehandeld met de 'Conventie van Bern'. De Oostvlietpolder is, ook volgens het MER, zonder een gericht onderzoek naar het voorkomen van zoogdieren eenvoudig geclassifiseerd als 'grasland zonder hoge natuurwaarde' en vervolgens heeft men het bestemmingsplan goedgekeurd.

Is dit nu een beleid op het gebied van ruimtelijke ordening dat rekening houdt met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten? Is hier door overheden een juiste invulling gegeven aan het gestelde in de 'Conventie van Bern'? Het comité meent van niet en stelt dat alvorens er goedkeuring aan het bestemmingsplan Oostvlietpolder wordt verleend, er eerst een grondig natuuronderzoek naar plant- en diersoorten dient plaats te vinden. De uitkomsten hiervan dienen te worden getoetst aan Natuurbeschermingswetten en de door Nederland ondertekende 'Conventie van Bern'.

Beschouwende bovenstaande argumenten en opmerkingen verzoekt het comité Vrienden Oostvlietpolder om goedkeuring aan het bestemmingsplan Oostvlietpolder te onthouden.

 

Comité Vrienden Oostvlietpolder,
maart 2000.

 

 

 

N.B.

1. Het comité heeft na bestudering van het Milieu-effectrapport baggerspeciedepot Oostvlietpolder (MER, najaar 1999) haar bezwaren en reactie(s) op het MER vastgelegd in een 23 pagina's tellend rapport. Dit rapport is als bijlage bij dit bezwaarschrift gevoegd.

2. De gemeente Leiden heeft de zienswijzen, vragen, opmerkingen en bezwaarschriften die betrekking hadden op het baggerspeciedepot bij de vervaardiging van dit bestemmingsplan niet beantwoord. Derhalve verwachten wij dat indien er alsnog een baggerstortplaats in dit bestemmingsplan wordt opgenomen, er opnieuw inspraak- en bezwaarprocedures in acht zullen worden genomen.
Dit is door het comité ook aan de orde gesteld op de provinciale hoorzitting welke is gehouden op 29 oktober 1999 en opgenomen in het verslag: "De voorzitter (de heer M. Vissers, GS) constateert dat de heer de Kok (projectleider Oostvlietpolder gemeente Leiden) het eens is met de analyse van de heer Pieters (comité) dat er dan opnieuw een inspraakprocedure moet komen".