Bedrijventerrein Oostvlietpolder Leidenstrijdig met 'Conventie van Bern' |
|
Het comité Vrienden Oostvlietpolder heeft lang en verwachtingsvol uitgezien naar het Milieu Effect Rapport baggerspeciedepot Oostvlietpolder (MER). Het comité verwachtte dat uit het MER, na een uitvoerig en gedegen natuuronderzoek, zou blijken welke natuurwaarden de Oostvlietpolder bezit en welke gevolgen de aanleg van een baggerstortplaats (maar ook een bedrijventerrein) voor de in de Oostvlietpolder aanwezige planten en dieren zou hebben. Hieronder passages uit het MER Oostvlietpolder betreffende natuurwaarden..... De Oostvlietpolder heeft voor de weidevogels een fourageer- en een broedfunctie. De aangrenzende West Eindsche Polder is een weidevogelreservaat. Uit een inventarisatie in 1992 door bureau Natuur van de provincie Zuid-Holland blijkt dat de Oostvlietpolder en Hofpolder van betekenis zijn voor weidevogels die typisch zijn voor open veenweidegebieden. In hoeverre de bestaande volkstuinen in de Oostvlietpolder hierop invloed hebben, in positieve of negatieve zin, is niet bekend. Waardevol is het grote aantal broedparen van de Grutto (Rode Lijst) in verhouding tot de Scholekster en Kievit en het voorkomen van enkele broedparen van de Tureluur (Rode Lijst). Bijzonder waardevol is het voorkomen van de Zomertaling (Rode Lijst) als broedvogel. Zangvogels als Veldleeuwerik en Graspieper komen opvallend weinig voor. Het voorkomen van Rode lijstsoorten in het plangebied zorgt ervoor dat het initiatief onder de werkingssfeer van het compensatiebeginsel valt. De Zomertaling wordt in de Rode Lijst aangeduid als bedreigde
soort. Deze typering houdt in dat betreffende soorten: Afgezien van vleermuizen is er geen gericht onderzoek verricht naar het voorkomen van zoogdieren in het studiegebied. Vleermuizen zijn waargenomen via een zogenaamde 'vleermuizendetector'.
Hierbij is vooral de aangrenzende infrastructuur onderzocht,
omdat vleermuizen zich met name langs de lijninfrastructuur ophouden.
In de Oostvlietpolder zelf is geen onderzoek verricht. Gegevens
over aantallen ontbreken. De 4 gevonden vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet. Met het aanleggen van het werkterrein, de aanleg van persleidingen, een depot voor vrijkomende grond en het graven van de put wordt de thans aanwezige flora en fauna verwijderd dan wel verstoord. Het gaat voornamelijk om de vegetatie van de graslanden en sloten in de Oostvliet- en Hofpolder en om weidevogels. Ook de leefgebieden van enkele algemene zoogdieren gaan verloren dan wel worden verstoord. Indien hierbij de autonome ontwikkelingen worden betrokken (o.a. bedrijventerrein, verplaatsing volkstuinen) dan betekent dit dat er, afgezien van de te realiseren ecologische ader, weinig ruimte overblijft voor ecologie. Het bestand aan weidevogels zal in ieder geval verloren gaan. Ten gevolge van de verbreding van de A4 en de realisatie van één of meerdere tracés uit de studie Rijn-Gouwe west zal de verkeersdruk op het studiegebied toenemen. Dit zal de druk op de weidevogelpopulatie en het aantal verkeersslachtoffers onder zoogdieren doen toenemen. Naar aanleiding van deze passages willen wij de volgende opmerkingen plaatsen: De lijst in het MER van voorkomende dieren in de Oostvlietpolder is onvolledig; het natuuronderzoek in het MER schiet ernstig tekort. Ook de reactie op ons bezwaarschrift van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland dat 'uit een inventarisatie van het gebied naar voren komt dat de vegetatie van de graslanden geen hoge natuurwaarde heeft', achten wij uiterst merkwaardig. De reactie van Gedeputeerde Staten is oppervlakkig, onduidelijk en vermeldt inhoudelijk niets over de bevindingen uit de zogenaamde 'inventarisatie'. Het comité Vrienden Oostvlietpolder heeft na eigen
(eenvoudig) onderzoek inmiddels vastgesteld dat er, naast de
genoemde dieren in het MER, ook vlinders en hagedissen
in de Oostvlietpolder voorkomen. Om het gebied derhalve te classifiseren
als 'grasland zonder hoge natuurwaarde' is onterecht. Hieronder
daarom onze lijst met de belangrijkste diersoorten in de Oostvlietpolder: Gelet op bovenstaande lijst vraagt het comité zich af hoe Gedeputeerde Staten een bestemmingsplan Oostvlietpolder en dus het aanleggen van een bedrijventerrein in een dergelijk gebied kunnen goedkeuren zonder een gedegen, uitvoerig natuuronderzoek en met de (huidige) kennis dat er in dit gebied dieren leven die vallen onder de Natuurbeschermingswet en de 'Conventie van Bern'. De Natuurbeschermingswet verbiedt burgers een beschermde soort te vangen en/of te koop aan te bieden, te doden, zijn nest of hol (leefgebied) te verstoren dan wel te beschadigen, etc. Berokkent het aanleggen van een bedrijventerrein deze beschermde soorten en hun leefgebied geen schade? Dat Nederland de 'Conventie van Bern' heeft ondertekend (19
september 1979), waarbij het zich o.a. verplicht tot bescherming
van de leefgebieden van herpetofauna-soorten (waaronder hagedissen),
maakt een goedkeuring aan het bestemmingsplan Oostvlietpolder
nog twijfelachtiger. Het comité stelt dat bij de totstandkoming en goedkeuring van het bestemmingsplan Oostvlietpolder in strijd is gehandeld met de 'Conventie van Bern'. De Oostvlietpolder is, ook volgens het MER, zonder een gericht onderzoek naar het voorkomen van zoogdieren eenvoudig geclassifiseerd als 'grasland zonder hoge natuurwaarde' en vervolgens heeft men het bestemmingsplan goedgekeurd. Is dit nu een beleid op het gebied van ruimtelijke ordening dat rekening houdt met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten? Is hier door overheden een juiste invulling gegeven aan het gestelde in de 'Conventie van Bern'? Het comité meent van niet en stelt dat alvorens er door de Raad van State goedkeuring aan het bestemmingsplan Oostvlietpolder wordt verleend, er eerst een grondig natuuronderzoek naar plant- en diersoorten dient plaats te vinden. De uitkomsten hiervan dienen te worden getoetst aan Natuurbeschermingswetten en de door Nederland ondertekende 'Conventie van Bern'.
maart 2000, Comité Vrienden Oostvlietpolder. |